US

The VICE Channels

Alle foto's door Robert Alting
Monday, 20 November, 2017

Op bezoek bij Ronnie Brunswijk en zijn Surinaamse voetbalclub

Ronnie Brunswijk leunt tegen zijn luxe terreinwagen. De auto is vlak naast het wedstrijdveld van het Ronnie Brunswijkstadion in de Surinaamse stad Moengo geparkeerd. Hij schudt wat handen, de barvrouw lacht naar hem, kinderen rennen naar hem toe. Zijn teamgenoten zitten op een paar meter afstand in trainingspak te wachten totdat Brunswijk het sein geeft dat de warming-up kan beginnen.

Zijn club Inter Moengotapoe begint over anderhalf uur aan de dorpsderby tegen SV Notch – in het meest oostelijke district van Suriname de wedstrijd van het jaar – maar van spanning is geen sprake. Brunswijk scharrelt een beetje rond op zijn slippers, draagt een vrolijk gekleurde zwembroek en om zijn nek hangt een gouden ketting die doet denken aan een lasso.

Alle foto’s door Robert Alting.

Ik sta naast hem omdat ik hem wil spreken over zijn toekomst in het Surinaamse voetbal. Begin oktober las ik namelijk tot mijn grote schrik in het Surinaamse dagblad De Ware Tijd dat Brunswijk zich dreigde terug te trekken als voorzitter van Inter Moengotapoe, de club die de afgelopen vijf jaar steeds met overmacht landskampioen van Suriname werd.

Voordat ik met de auto vanuit Paramaribo naar Moengo reed, moest ik alleen wel wat dingen toezeggen. Een interview was prima, maar dan wel op zijn terrein en over twee dingen moest ik vooral niet beginnen: politiek en Desi Bouterse. Ik liet weten dat ik daarmee kon leven. Iedereen in Suriname weet immers dat je Brunswijk niet vertelt wat hij wel of niet moet doen. En dan helemaal niet in zijn district, in zijn woonplaats of in zijn stadion. Zeker geen blanke verslaggever uit Nederland. Hier is hij de baas.

Ronnie Brunswijk, ook wel Romeo Bravo of De Koning van Marowijne, heeft een cv dikker dan een gemiddeld Surinaams kookboek. Hij is de voormalig leider van het Junglecommando dat in de tweede helft van de jaren tachtig een bloedige burgeroorlog uitvocht met het Nationaal Leger van Desi Bouterse, waar hij in de eerste helft van de jaren tachtig juist lijfwacht van was. Ook is hij bekend als de man die in 1996 door de rechtbank in Haarlem bij verstek tot zes jaar gevangenis werd veroordeeld voor cocaïnehandel. Hierdoor staat hij nog altijd op de opsporingslijst van Interpol.

Daarnaast is hij voorzitter van zijn politieke partij ABOP waarvoor hij ook in het Surinaamse parlement zit en waarmee hij tussen 2010 en 2015 regeringspartner van president Bouterse was. Zijn geld verdient hij als eigenaar van NV RoBruns, een groot goudbedrijf met goudconcessies in het binnenland van Suriname. Hij bezit een eigen eiland in de Marowijnerivier en over zijn privéleven doen bijna mythische verhalen de ronde. Het aantal kinderen dat hij verwekt zou hebben zou rond de tachtig liggen. Daarnaast is hij een volle neef van Kenny B en ja, hij is dus ook nog eens voorzitter van de succesvolste voetbalclub van Suriname van de afgelopen tien jaar.

Het interview begint als Brunswijk het teken geeft dat hij er klaar voor is en richting de zitplaatsen van de tribune loopt. Hij begint met melden dat zijn gouden ketting 24-karaat is. Na het geval eens goed bekeken te hebben word me al snel duidelijk dat hem zijn conflict met de Surinaamse Voetbalbond (SVB) hoog zit. Vroeg in het gesprek herhaalt hij zijn voornaamste boodschap: als de SVB niet snel zijn beloftes nakomt, is dit het laatste jaar dat hij nog investeert in het Surinaamse voetbal.

“Het kost veel geld maar je krijgt er niks voor terug,” zegt Brunswijk. “Ik heb alleen maar kosten, kosten, uitgaven en uitgaven. Je wordt kampioen en je krijgt drieduizend Surinaamse dollar van de SVB terwijl ze 250.000 Amerikaanse dollar hadden toegezegd. Dan is  drieduizend toch een lachertje? En ik heb de afgelopen jaren een aantal miljoenen besteed aan de competitie.” Zijn telefoon gaat onophoudelijk, maar hij drukt de oproepen weg. “De ondersteuning is er niet. Als je er niks voor terugkrijgt, is het water naar de zee dragen. Ik draag de voetbalsport een warm hart toe, maar je wordt continu geboycot als je niet onder één hoedje wil spelen met het bestuur.”

Zijn voornaamste punt van ergernis is het feit dat de SVB volgens hem toezeggingen over reiskostenvergoeding niet nakomt. Wekelijks moet Inter Moengotapoe naar Paramaribo reizen, een rit van drie uur heen en drie uur terug. Het is een flinke kostenpost voor de club. De SVB zou met steun van de FIFA hier een speciaal fonds voor oprichten. “Maar ze doen niks. Ze doen niks om te helpen om onze kosten te dekken.”

Ook komen ze volgens Brunswijk beloftes niet na om de voetbalsport te professionaliseren. “Als je vooruit wil, moet je investeren in de jeugd. Als je dat niet doet, kom je niet verder. Dat zie je nu. Wij steken veel geld en moeite in de club, maar kunnen bijna geen Concacaf-voetbal spelen omdat de stadions niet aan de FIFA-voorwaarden voldoen.” Hij waarschuwt nog maar eens: “Als er niks verandert, is dit mijn laatste jaar.” Hij laat een stilte vallen. “We worden kampioen, en kampioen. Ze lusten ons daar niet meer. Ze worden moe van ons.”

Ronnie Brunswijk en voetbal: het is in Suriname met elkaar verbonden net zo goed als dat Suriname verbonden is met roti en bruine bonen met rijst. Hij is niet alleen voorzitter, hij is ook hoofdsponsor, boegbeeld en nog altijd speler van de vereniging die hij zelf in 1992 oprichtte. De club dankt zijn successen aan Brunswijks grootkapitaal, maar het is niet alleen maar hosanna dat hij Inter Moengotapoe schenkt. In het verleden wilde hij beslissingen van scheidsrechters weleens becommentariëren door met pistolen te zwaaien. Tegenstanders die hem met iets teveel enthousiasme van de bal wilden zetten, konden zo nu en dan op een corrigerende tik rekenen. En afgelopen april joeg hij een cameraman de stuipen op het lijf na een in zijn ogen onwelgevallige opmerking.

Maar Brunswijk is een liefhebber, zegt hij. Om de boel bij Inter Moengotapoe draaiende te houden pompt hij maandelijks zo’n zestigduizend Surinaamse dollar in de club. Zijn spelers krijgen zo’n vijftienhonderd Amerikaanse dollar per maand. “Ik ben altijd een voetballiefhebber geweest. Als kind al. Ik voetbalde altijd. Voor de Binnenlandse Oorlog hadden we hier Real Moengotapoe maar tijdens de oorlog is bijna iedereen naar Frans-Guyana gevlucht. Van de club was niks over. Na de vredesbesprekingen van 1992 heb ik de club weer opgericht. Mensen hebben hier niet veel, maar voetbal hebben ze nodig.”

Brunswijk vertelt dat ook de tegenstander van vandaag, SV Notch, in zekere zin kan worden beschouwd als zijn club. De vereniging wordt bestuurd door zijn rechterhand Joel ‘Bordeaux’ Martinus. Lange tijd was Piet Wortel de hoofdsponsor. Dat stopte toen hij in maart 2014 door de rechtbank van Rotterdam werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar voor leiding geven aan een internationaal opererend drugssyndicaat. Brunswijk stopte de club daarna wat Surinaamse dollars toe om een faillissement af te wenden.

Mede door deze gulheid is Brunswijk hier mateloos populair. Ook de merkwaardige gewoonte dat hij nog weleens met geldbiljetten wil strooien naar de inwoners van Marowijne draagt daaraan bij. Hij wordt hier gezien als een ‘self made man’. De man die als een Surinaamse Robin Hood in de jaren tachtig banken overviel om de opbrengst met de bevolking te delen. Hij is de man die niet knielde voor Bouterse, die het tegen de gevestigde orde in de stad opnam, het binnenland een stem gaf en zich door Nederland liet steunen om tegen het leger van Bouterse te vechten.

Critici beweren daarentegen dat de kapitaalkrachtige Brunswijk zijn eigen volk slechts af en toe wat broodkruimels toewerpt omdat hij liever heeft dat ze afhankelijk van hem blijven dan dat ze zelfstandig en onafhankelijk van hem een eigen bestaan kunnen opbouwen.

Het gesprek gaat verder. Brunswijk vertelt hij hoe hij als clubeigenaar en voetballer nu nog altijd baat heeft bij zijn verleden als leider van het Junglecommando: “Als je in het leger zit moet je gedisciplineerd zijn en dat probeer ik de jongens mee te geven. Discipline naast en op het veld. Af en toe geef ik keiharde trainingen en dan zeggen de jongens: ‘Het lijkt wel alsof we in het leger zitten, voorzitter.’ Maar het is nodig. Soms vragen ze erom dat ik een training ga geven. Het stimuleert ze.”

Brunswijk is een imposante man met een even indrukwekkende als bangmakende kop. Zijn verleden en staat van dienst spreken voor zich. Hij heeft bewezen dat hij zijn mannetje kan staan en zich door niemand laat piepelen. Hoe moet het zijn als tegenstander, vraag ik me af, om Brunswijk te moeten afstoppen? Hij schudt zijn hoofd. “Op het veld ben je voetballer, geen enkele baas of wat dan ook. Iedereen is dan gelijkwaardig. Het is niet zo dat ze me sparen omdat ik Brunswijk ben. Als iemand mij wil tackelen, moet-ie dat proberen.”

Dan staat hij opeens op. Hij loopt naar zijn auto waar hij zich in een geel tenue hijst, de kleuren van zijn politieke partij. In het fitnesshok maakt hij de opstelling bekend. Hij zet zichzelf wissel. De tribune op de lange zijde zit vol. Er zijn een paar honderd man komen opdagen. De entree is 1 Surinaamse dollar. Er is een brassband aanwezig. Halve liter blikken Parbobier worden in hoog tempo vanuit een lichtblauwe koelbox met ijs voor tien Surinaamse dollar per stuk verkocht.

Na het ietwat warrige interview met de voormalig guerrillaleider ben ik wel toe aan wat ontspanning en daarom koop ik drie blikken bier. Na twee te hebben opgedronken krijg ik honger. Bij een kraampje verderop zitten twee jonge Creoolse dames die vlees- en bloedworst met zuur verkopen. Ik haal één portie en blus de ruim aanwezige peper met mijn derde halve liter. De barbecue wordt een paar meter verderop in gereedheid gebracht. Kip met bout en patat is blijkbaar meer iets voor na de wedstrijd.

De wedstrijd zelf verloopt chaotisch, mede door de slechte staat van het veld. Ik schrik van de vele vliegende tackles die vaak de bal overslaan en rechtstreeks richting enkel gaan. Het is een wonder dat niemand geblesseerd raakt. De bal schiet alle kanten op. Van enige structuur of tactiek is geen sprake. Al snel wordt het 1-0 voor SV Notch. Brunswijk vloekt. Hij vloekt veel en hard. Hij coacht fanatiek. Als het niet gaat zoals hij het wil, stormt hij naar de zijlijn of slaat hard op de dugout. Als Brunswijk iets roept, luistert de rest. In de tweede helft verandert er niet veel. Het blijft lange tijd 1-0 voor Notch en het spel schiet nog altijd op en neer.

Twintig minuten voor tijd vindt Brunswijk het genoeg en geeft hij de trainer het sein dat hij gaat invallen. De trainer kent de verhoudingen en luistert. Het stadion giert wanneer Brunswijk, zonder warming-up, het veld op loopt. Ze gieren hard als hij een sprint inzet of als een bal van zijn voet springt. Vrouwen zwaaien en schreeuwen enthousiast naar hem. Brunswijk ziet er gemotiveerd uit, maar wordt enigszins belemmerd door de beperkingen van zijn 56 jaar oude lichaam. Echt verschil kan hij niet maken. Een vrije trap belandt in de muur, een kopballetje in de handen van de keeper. Na tien minuten laat hij zich weer wisselen. Uiteindelijk wordt het 2-1 voor Notch.

Meteen na het fluitsignaal gaat de brassband langs de tribunes en danst zich in een opzwepend tropisch ritme richting de kleedkamers. De toeschouwers volgen en mensen gaan het veld op. De stemming is uitgelaten. Iedereen heeft zin in een feestje. De barbecue zorgt voor dikke rookpluimen. Bij de ingang hangen mannen bij hun auto’s met meegebrachte koelboxen vol bier en bruine rum. De brassband gooit het tempo omhoog. Een stel dames schudt met hun kont en iedereen steekt zijn handen in de lucht.

Het gezicht van Brunswijk staat nog even op onweer, maar al snel verschijnt er ook op zijn gezicht een lach. “Sometimes you win, sometimes you lose,” relativeert hij. “We worden gewoon kampioen,” voegt hij daaraan toe. Ik schud hem de hand en vertrek met een kip van de barbecue weer naar Paramaribo.