US

The VICE Channels

Alle foto's door Rebecca Camphens
Wednesday, 6 December, 2017

Hoe Collins John doorvoetbalde na een tumor in zijn slokdarm

In de jaren negentig kwam Collins John met zijn moeder Esther en twee broers Ola en Paddy aan in de Rotterdamse haven, als bootvluchteling. Ze ontvluchtten de Liberiaanse burgeroorlog, waarbij zijn vader Minister eerder als 27-jarige soldaat om het leven was gekomen.

Het voetbal maakte het leven gemakkelijker voor het gezin, dat het leven weer probeerde op te pakken in het Overijsselse Nijverdal. Alle drie de zonen schopten het tot prof. Als oudste voelde Collins John de verantwoordelijkheid voor zijn familie. Hij vertrok al op zijn 18de naar Fulham in Londen. Na ellenlange hamstringblessures en een tumor in zijn slokdarm zwierf hij jarenlang langs clubs over de wereld. Van Iran tot aan Amerika.

Inmiddels is John gestopt en jeugdtrainer van SC Buitenboys Onder 17, dat speelt om het kampioenschap in de vierde divisie. VICE Sports zocht hem op bij de amateurclub uit Almere. Dit is zijn verhaal.


“Als kind wist ik dondersgoed wat ik wilde, ik had een gigantische drive. Alles deed ik voor het voetbal. Maar ik had nooit verwacht dat ik het zou halen. Echt een andere keus had ik alleen niet, hè. Ik was niet goed op school, niet begaafd. Maar ik kreeg wel het talent van God om te voetballen. Voetbal is mijn leven, ook al ben ik nu gestopt.

Nu ben ik trainer. Het is natuurlijk vrijwillig, Buitenboys Onder 17 trainen, maar dit is mijn werk. Ik had altijd al de droom om jeugdtrainer te worden. Na alles wat ik heb meegemaakt, wil ik die jongens een boodschap meegeven. Verder besteed ik veel tijd aan mijn dochtertje van bijna vier jaar. Ik kan elke dag bij haar zijn. Tot januari, want dan gaat ze naar de basisschool en dan is het over. Ik geniet echt van het leven.

Alle foto’s door Rebecca Camphens.

Mijn vriendin werkt bij een uitzendbureau. Haar baas trainde Buitenboys Onder 17, een recreatieteam. Hij hoorde dat ik haar vriend was en stond erop dat ik langs zou komen. Al zou ik alleen maar een speech geven. Eerst voelde ik me er niet zo lekker bij, maar ik liep het veld op en zag de gezichten van die jongens… Helemaal enthousiast, blij. Ik kreeg echt zo’n boost. Ik ben niet meer weggegaan. En sinds afgelopen seizoen doe ik de selectie Onder 17.

Ik wil aan die jongens zien dat ze het erg vinden als ze verliezen. Anders ga je maar tafeltennissen. Als mijn dochtertje uit de auto stapt, wil ze als eerste bij de voordeur zijn. Dan zegt ze hard: ik heb gewonnen, pap! Dat vind ik mooi. Ze wil altijd winnen. Veel jongens in de jeugd, ook in mijn team, krijgen voetbalschoenen wanneer ze willen, en de boterhammen liggen ’s ochtends klaar. Ze hebben alles. De honger, de drive, die is weg. Profvoetballer worden is geen must.

Het is ook weleens anders, hoor. Vorig jaar hadden twee jongens problemen met het betalen van de contributie. Nou, mijn hart scheurt dan gewoon. Alle herinneringen kwamen terug. Mijn moeder had vroeger helemaal niks. Letterlijk niks. Contributie werd betaald door VV DES, waar ik voetbalde in Nijverdal. Voetbalschoenen kreeg ik van de teamleider. Ik keek die jongens in de ogen. Dat deed me echt pijn, jongen. Ik moest ze wel helpen.

Ik ben al een paar keer gevraagd door FC Twente om iets voor de jeugdopleiding te betekenen, maar ik zit nog goed hier. Ik ben net 32, moet nog veel leren en heb alle tijd. Misschien kijk ik er over een paar jaar anders tegenaan. Twente blijft mijn club. Ik was een paar weken geleden nog op het trainingscomplex bij het Fanny Blankers-Koen Stadion. Ik keek naar de velden. Ik heb daar zoveel goals gemaakt, jongen.

Ik was het supertalent van FC Twente. Ik zat bij de beloften en voelde de druk. Je hoorde de naam Collins John al in de gangen van de club. “Er is een nieuwe spits.” Nou, zie dan maar met die druk om te gaan. En ik flikte het.

Voor mijn eerste goal in het shirt van FC Twente, in de wedstrijd tegen RBC Roosendaal, ging ik voor een gebed naar de wc. Ik had op mijn ondershirt geschreven: “Voor mijn vader.” Ik had de deur niet op slot gedaan. Kim Christensen deed de deur open en ik draaide snel weg. Ik wilde niet dat hij het shirt zag. Als iemand het zou lezen, was het geloof weg en zou ik niet scoren. Kim verontschuldigde zich. “Oh, sorry. But don’t worry. I just feel it. You’re gonna score today.”

Ik reageerde niet. Ik wist het al. Ik voelde gewoon dat mijn eerste goal zou komen. Echt, ik voelde het gewoon. In het veld was het net een droom. Ik wist niet wat ik deed. Ik kreeg een lange bal van Jeroen Heubach. Ik nam hem op de borst mee en schoot uit de volley in de kruising. Echt, de tijd stond even stil. Ik maakte negen goals halverwege het seizoen, als 17-jarige, naast Blaise N’Kufo.

In de winterstop van 2004 vertrok ik al bij FC Twente. De mensen die zeiden dat ik te vroeg ben vertrokken en voor het geld ging, weten dondersgoed hoe het verhaal in elkaar zit. Maar daar willen ze blijkbaar niet naar luisteren. Zelfs Joop Munsterman heeft het toegegeven. Ze móesten me verkopen, want FC Twente zat in zware financiële problemen. Toen al. Youri Mulder wilde de club overkopen, voor 1 miljoen euro. Dat is niet gebeurd, want ik werd verkocht. Ik wilde graag bij Twente blijven, maar ik had geen keus.

Edwin van der Sar heeft heel lang met me gebeld. Hij heeft me overgehaald om naar Fulham te komen. Ik twijfelde. Ik kon ook naar Stade Rennes, Olympique Lyon, Manchester City. En PSV wilde me graag in de zomer overnemen. Maar Fulham voelde zo goed. Ik sta er ook nog steeds achter. Daar beleefde ik mijn mooiste tijd als voetballer.

Ik kwam in een andere wereld terecht. Ik was net achttien geworden. Ik was toch een dorpsjongen, opgegroeid in Nijverdal, ongeveer 20 kilometer van Enschede. En dan ga je naar een wereldstad als Londen, wonen in de buurt Wimbledon. Het was enorm wennen. Mijn moeder had er veel moeite mee. Ik liet een gigantisch gat achter thuis.

Ik voelde een enorme verantwoordelijkheid naar mijn familie. Ik was de oudste, alles ging via mij. Vanaf mijn elfde heb ik mijn familie gedragen. Ik voetbalde voor onze toekomst. Mijn moeder kon niet goed Nederlands, nog steeds niet. Ze vertelde me alles in het Liberiaans. Ik wist alles van haar, dan creëer je zo’n sterke band met z’n tweeën. Ik heb een gigantische waardering voor haar.

Toen ik naar Fulham vertrok, kon ik eindelijk écht iets terugdoen voor mijn moeder. Dat voelde als een bevrijding. Mijn moeder heeft een moeilijk leven gehad. Als ze op vakantie wilde gaan, haar rijbewijs halen wilde of een cursus wilde volgen, dan kon ik haar mooi ondersteunen. En niet alleen financieel. Ze zag me scoren op televisie, en dan riep ik ‘mama’ in de camera. Ik kon haar trots maken.

Zelf wilde ik ook genieten van wat ik had bereikt. Ik wilde er beter uitzien.
Ik vind het onzin als mensen zeggen dat je geen dure spullen mag kopen. Je hebt er hard voor gevochten. Dat wil nog niet zeggen dat je nog steeds op een Gazellefiets moet rijden. Dan mag je best in een Mercedes rijden. Ik wilde niet stoer doen of showen wat ik had. Nee, dat was voor mezelf. En voor mijn familie.

Bij Fulham was ik de opvolger van Louis Saha, die naar Manchester United was vertrokken. In het eerste halve seizoen heb ik niet veel gespeeld, maar wel vier keer gescoord. Ze wilden me rustig brengen. In mijn derde seizoen werd ik echt basisspeler en begon ik ook veel te scoren. Ik was topscorer van de club. Maar in het vierde seizoen scoorde ik niet meer en raakte ik mijn basisplaats kwijt. Ik vond het niet erg om af en toe op de bank te zitten, maar de andere spitsen scoorden ook niet.

Ik voelde geen vertrouwen meer en wilde weg. Dat was in januari 2007. Ik kon naar Manchester City. De deal was zelfs al rond. Ik was al halverwege met de auto, ter hoogte van Birmingham. Werd ik ineens gebeld: trainer Chris Coleman. Of ik terug wilde komen naar Londen. Ik mocht ineens niet meer weg. Dat kan ik niet maken tegenover de fans, zei hij. En ja hoor, drie weken later: Chris Coleman werd ontslagen.

De nieuwe trainer, Lawrie Sanchez, wees even twaalf spelers aan die weg mochten. Hij kreeg 40 miljoen euro zakgeld mee om spelers te kopen. En zo werd ik van eerste of tweede spits ineens vijfde in de rij. Toen verhuurde Fulham me aan Leicester City. Ik deed het aardig, maar raakte geblesseerd aan mijn hamstring. Vanaf toen begonnen de blessures. Ik bleef daar maar een half jaartje. En toen ik vervolgens op huurbasis bij Watford speelde, scheurde ik mijn hele bovenbeen af. Lag ik er bijna anderhalf jaar uit.

Tijdens de burgeroorlog in Liberia is mijn linkerbeen gebroken. Ik weet niet precies hoe, maar daardoor heb ik een gigantisch verschil in beenlengte. De linker is veel, veel korter dan de rechter. Ik sta echt krom. De dokter van FC Twente heeft nog gezegd: jij gaat problemen krijgen. Ik weet nog dat ik hem uitlachte: “Waar heb je het over man?” Maar hij heeft gelijk gekregen. Om de twee maanden scheurde ik mijn hamstrings af.

Het is gewoon meant to be. Ik ga niet zeggen: God, waarom ik? Of whatever. Misschien moest ik overlijden in Liberia, maar gaf God me een gebroken been. Ik probeer alles wat ik meemaak een positieve draai te geven. Ik had heel makkelijk mijn hele leven negatief kunnen blijven. Ik heb de oorlog in Liberia meegemaakt, mijn vader verloren. Mijn moeder had mentale problemen, ziektes. Maar het voetbal heeft mij in een positieve sfeer meegenomen.

Ik geloof in God. Ik geloof dat hij mij constant bijstaat. En je weet niet wat hij voor je heeft gepland. Dat mijn carrière in de Premier League bij honderd wedstrijden moest stoppen was mijn lot. Punt uit. Soms ga je een bepaalde weg in en dat moet dan gewoon zo zijn.

De revalidatie was killing. Omdat ik hele grote bovenbenen heb, waren alle spieren aan de binnenkant van mijn knie weg. Alles moest weer aansterken. Dat heb ik allemaal doorstaan. Ik kwam gewoon terug, maar voetbal is zo raar, joh. Na die blessure van anderhalf jaar was het stil. Niemand kent je nog. Dat gaat zo snel. Collins, ze willen je niet meer. Collins, geen interesse. Collins, nee. Collins, je moet op proef komen.

Ik zocht naar de stabiliteit, zoals bij Fulham. Maar bij NEC en KSV Roeselare in België klikte het niet. Ik koos begin 2010 voor de Amerikaanse MLS. Dat was een van de beste keuzes die ik ooit heb gemaakt. Ik raad het iedereen aan. Pak je spullen, alsjeblieft. Een topcompetitie. Het leven, de voetbalvelden, de trainingscomplexen, de kleding, de cultuur. Vraag Johan Kappelhof of Michael de Leeuw maar. Ze zijn verliefd. Alles, alles klopt.

Ik had in januari 2010 voor anderhalf jaar getekend bij Chicago Fire. Een week voor mijn verjaardag, in oktober, word ik opeens wakker, midden in de nacht. Huilen, jongen. Huilen, huilen, huilen. Hartkloppingen, hartkloppingen, hartkloppingen. Ik bel mijn moeder en zeg: “Mam, ik ga dood. Het kan best wel zijn dat ik je morgen niet meer spreek.” Zij schreeuwen, helemaal overstuur. Een paar uur later kwam Jeff de clubarts naar me toe. Maar hij kon niks vinden.

Ik bleef door hameren en zei: “Er is iets! Het kan niet anders!” Er zijn veel onderzoeken gedaan. Ondertussen trainde ik een week door, maar daarna zei ik tegen de trainer: “Het maakt me niet uit wat je van me vindt, maar ik voel me niet goed en ik kom niet meer trainen. I am done.” Dat respecteerde hij.

En, ja hoor. Clubarts Jeff belde me een maand later. Hij kwam niet uit zijn woorden, hij durfde het niet zeggen. Bleek dat ik een tumor in mijn slokdarm had. Ik heb drie operaties ondergaan in een week tijd. Het is goed afgelopen. Maar ik moet je eerlijk zeggen: vanaf toen besefte ik dat het leven belangrijker is dan voetbal.

Uiteindelijk ging ik naar Azerbeidjan. Via Turkije ben je er zo. Financieel was het ook aantrekkelijk natuurlijk. Daarom zat de trainer Tony Adams daar ook, hij kende me nog van Fulham. Maar – dat zie je ook wel aan mijn CV – lang ben ik daar niet gebleven. Het was een chaos met achterstallige betalingen.

Ik was er met mijn hoofd niet meer bij. Ik ben nog wel vrij lang doorgegaan met voetballen. maar na die operaties ging het bergafwaarts. Ik heb nog in Iran gespeeld bij Mes Sarcheshmeh, in Engeland bij Barnet, in Polen bij Piast Gliwice en in Amerika bij de Pittsburgh Riverhounds. Ik zat constant een paar maanden thuis, maar dan belden er weer clubs, zaakwaarnemers, of kreeg ik berichten via Facebook of Twitter. Ging ik toch maar weer.

Maar het ging gewoon niet. Het voetballen voelde niet lekker meer. Ik dacht constant aan die hartkloppingen. Ik was niet meer vrij in mijn hoofd. En als dat niet zo is, dan is het eigenlijk wel game over.  Tot de dag van vandaag heb ik ook nog steeds last van die operatie. Ze zijn via mijn zij naar binnen gegaan met een buisje. Daar heb ik veel littekens. Als ik val, wordt het gewoon één grote blauwe plek en heb ik twee weken nodig om te herstellen. Ik ben naar dokters en masseurs geweest, maar er valt niets aan te doen. Ze hebben een zenuw geraakt en dat straalt uit, ook gewoon als ik loop. Zeker met dit koude weer voel ik die zeurende pijn.

Ik vind dat ik alles uit mijn carrière heb gehaald. In mijn tijd bij Fulham was er geen dag dat ik dacht: ach, vandaag effe niet. Nee, elke keer als ik het trainingsveld opstapte, gaf ik alles wat ik had. Het waren fantastische jaren. Honderd wedstrijden in de Premier League. In het Nederlands elftal gespeeld, samen met Van Persie, Sneijder, Van der Sar. Shirts gekregen van Bergkamp, Kluivert, Henry, Kanu, Overmars.

Dat had ik als elfjarige allemaal nooit verwacht. Dat zijn uitgekomen dromen, dat kan bijna niemand zeggen. En dat kan ik straks allemaal mooi aan mijn dochtertje vertellen.”

Dit is een monoloog uit de serie VICE Sports Avonturiers. Zie hier alle verhalen uit deze serie.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: