US

The VICE Channels

Illustratie door Matthijs van der Geest
Thursday, 23 February, 2017

Het zwarte gat dat atleten opslokt na de Olympische Spelen

Eind augustus lieten meer dan tienduizend sporters Rio voor wat het was. Voor wat geluksvogels wachtte er een huldiging in eigen land, anderen besloten er een vakantie aan vast te plakken in Brazilië. Een klein groepje Nederlanders stapte eigenwijs in het vliegtuig omdat ze de losersvlucht van de Spelen hadden geweigerd. Drie weken lang hadden ze genoten van de aandacht en spanning terwijl ze de kans hadden het hoogtepunt van hun carrière te bereiken. Na vier jaar aan voorbereiding moesten ze nu, met of zonder medaille, terug naar naar het normale vertrouwde leven.

Helaas gaat dat niet alle sporters even makkelijk af. Het zwarte gat waar sommige atleten in terecht komen na de Olympische Spelen, de post-olympische depressie, is een serieus en vaak genegeerd probleem.

“Het wegvallen van elke vorm van structuur in hun leven is een van de grootste oorzaken,” vertelt sport- en prestatiepsycholoog Rafael Bureo Gonzalez tegen VICE Sports. “Jarenlang is alles geregeld voor ze, van trainingsroosters tot eetschema’s. Na de Spelen vallen soms dingen weg als financiële ondersteuning, begeleiding en aandacht. Ook door andere kleine oorzaken, zoals een blessure, kunnen ze al het idee krijgen dat ze niet beter kunnen presteren op de volgende Spelen. Hun carrière neigt plotseling naar een einde.

OlymDe sluitingsceremonie van de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. (Foto: Fernando Frazão/Agência Brasil)

Stel je het eens voor. Je komt eindelijk thuis, ziet je lieve labrador voor het eerst in vier weken en ploft lekker neer op de bank. Als je de tv aanzet, zie je de hoogtepunten van de Spelen voorbijkomen. Na zo’n twee weken worden de meest succesvolle sporters gehuldigd. Medaille op zak of niet, de huldiging is een bekend moment van ommekeer voor olympische sporters. Daarna is het allemaal echt afgesloten. Het is voorbij. Dan wordt er uitgekeken naar het volgende sportevenement, het schaatsen bijvoorbeeld.

De Olympiërs moeten, ondanks dat ze net op een hoogtepunt waren, nu ineens opnieuw beginnen. Voor jonge sporters zal dit misschien nog meevallen, die kunnen trainen met het idee dat ze de volgende keer misschien meer kans maken op een plak. Maar dit geldt niet voor iedereen. De verhalen van Olympiërs die wél hebben verteld over de zware periode na de Spelen, laten duidelijk zien dat zelfs een pietluttige tegenslag grote gevolgen kan hebben – en zelfs tot een depressie kan leiden. Ze lijken in een gat terecht te komen, zonder motivatie of structuur, waar ze bijna onmogelijk weer uitkomen.

Structuur was precies wat oud-zeilster Lobke Berkhout miste na de Olympische Spelen van 2008. Ze is een van de weinige Nederlandse sporters die openlijk over haar depressie sprak. Na haar zilveren medaille in Athene wilde ze graag aan de slag om in Londen weer te presteren. Het probleem in haar geval was dat haar trainer stopte.

“Toen eind september de huldiging voorbij was verdween alle aandacht,” vertelde ze de Volkskrant. “Ik kwam in een gat terecht. Ik zat alleen maar thuis en de muren kwamen op me af. Mijn vriend en vriendinnen waren gewoon aan het werk, waardoor ik mezelf opsloot.” Haar sociale isolement is volgens Rafael een duidelijk signaal van een depressie. Maar dat sporters zich zo afsluiten van hun persoonlijke omgeving en de media, zorgt er juist voor dat er zo weinig bekend is over het probleem.

LobkeLobke Berkhout met medaille en vlag tijdens de huldiging in het Holland Heineken House. (Foto via)

Het klinkt makkelijk om te zeggen dat ze gewoon naar een ander evenement moeten toewerken. Na de spelen van 2004 heerste er onder de olympische atletiekgeneratie in Nederland een grote afkeer tegen het opkomende EK. Het leek een gevolg van de depressie. De atleten waren niet gemotiveerd, bang niet te presteren en begonnen veel te laat met trainen. Veel van hen zagen hierdoor hun carrière wegzakken, terwijl ze genoeg talent hadden om nog iets te bereiken.

“De kern van de post-olympische depressie is dat de atleten vier jaar naar naar een bepaald doel opbouwen, wat ze zien als het hoogtepunt van hun carrière,” legt Rafael uit. “Het maakt dan niet per se uit of ze dat doel halen of niet. Het gaat erom dat ze altijd – omdat ze van jongs of aan al te horen krijgen hoe goed ze wel niet zijn – zichzelf hebben gezien als een topsporter.”

Na de Spelen verdwijnt een deel van die aandacht. Een kleine tegenslag – het vertrek van een trainer of het feit dat ze al in de dertig zijn – kan ervoor zorgen dat ze zich opeens zorgen maken over hun leven na sport. “Ze weten niet of ze ooit nog dat niveau zullen bereiken,” zegt Rafael.

De atleten lopen dus blindelings het post-olympische gat in. Hun enige redding is hoe ze daarmee omgaan. Het beste is natuurlijk om hulp te zoeken op het moment dat ze niet meer trainen, niet meer weten wat ze moeten doen en zichzelf afsluiten van omgeving. Maar dat gebeurt bijna nooit. Sporters moeten dan immers zelf om hulp vragen, wat een groot taboe lijkt in de kleedkamer.

Kijk bijvoorbeeld naar Allison Schmitt, een Amerikaanse zwemster die in 2012 drie gouden medailles haalde. In een interview met Channel 4 vertelt ze dat ze eerst niet over haar problemen na de Spelen kon praten. “Ik wilde niks van mijn zwakke kant laten zien,” legt ze uit. “Ik vroeg niet om hulp, en probeerde ertegen te vechten, maar uiteindelijk isoleerde ik mijzelf alleen maar meer en meer.”

“Als sporter is depressie een woord dat je niet echt mag gebruiken van jezelf,” legt Rafael uit. “Je haalt je hele leven het allerbeste uit jezelf, alles is gericht op prestatie. Het is lastig om te erkennen dat je depressief bent, al helemaal naar de buitenwereld.” En juisr doordat er zo weinig sporters openlijk over het probleem praten, is de kans klein dat het op grote schaal wordt aangepakt.

Nadador Michael Phelps na Vila Olímpica dos Jogos Rio 2016Allison Schmitt (links) naast Michael Phelps tijdens de Olympische Spelen. (Foto: Fernando Frazão/Agência Brasil)

Allison Schmitt kwam er gelukkig bovenop en won nog goud en zilver in Rio, nadat ze in 2015 hulp had gezocht. Later vertelde ze dat ze als atleet had geleerd dat ze zich door alles heen kon slaan en niet altijd om hulp moest vragen.

Dat is een grote fout volgens Rafael. “Professionele hulp is op dit punt heel belangrijk, want in hun eentje gaat het waarschijnlijk niet lukken om er op tijd bovenop te komen.” Het voorbeeld van Gregory Sedoc bewijst dat ook. De Nederlandse hardloper raakte in een dip na de Spelen van 2004, ondanks dat hij toen nog een jonge, fitte sporter was. Hij schreef zich in voor een militaire opleiding, zodat hij na zijn carrière iets had om mee verder te gaan. Hij raakte hierdoor echter heel erg afgeleid. Volgens zijn trainer wilde Gregory bijvoorbeeld liever elke dag een mitrailleur afvuren dan dat hij ging trainen. Hij begon pas weer na drie maanden.

Uiteindelijk wist hij op de Spelen van 2012 weer goed te presteren. Na de huldiging reed hij naar huis, maar toen sloeg de realiteit in. Hij had een baan bij Defensie, maar de Defensie Topsport Selectie was opgeheven. Omdat hij ook geen A-status meer had, had hij een aangepaste baan nodig om zijn carrière te kunnen financieren. Hij kon geen kant meer op en werd depressief. Hij kon niet langer de topsporter zijn die hij dacht te zijn. Er was geen directe nazorg uit de bond, dus zocht hij uiteindelijk zelf hulp.

“Als sportpsychologen zijn we vaak te laat, een soort problemfixer. Maar we kunnen het veel beter aanpakken,” legt Rafael uit. “Het is een stilgezwegen probleem waar sportbonden en sportorganisaties een oplossing voor moeten vinden. De grote gevolgen hebben namelijk maar een kleine oplossing nodig. Het belangrijkste is dat je het bespreekbaar maakt en dat sporters inzien dat het oké is om zwakte te tonen. Ze hoeven echt niet alles zelf te doen. Je kunt ze een simpel traject laten volgen, waarbij ze in de vier jaar naar de Olympische Spelen bijvoorbeeld af en toe op gesprek komen. Als psycholoog kan je dan al veel voorkomen, door ze even te forceren op vakantie te gaan bijvoorbeeld.”

Dit is een artikel uit de VICE Sports themaweek over sportpsychologie. Zie hier alle artikelen van deze themaweek.