US

The VICE Channels

Foto's door Rebecca Camphens
Friday, 23 December, 2016

De Nederlandse karatekampioen die predikant werd na zijn tijd bij een drugskartel

Als Danny Soto de deur van de redactie binnenstapt, glimlacht hij breed. Met zijn ondeugende pretogen ziet hij er niet uit als de meeste geestelijken die ik in m’n leven tegengekomen ben. Als ik hem vertel dat ik twijfelde of ik hem wel met ‘je’ mocht aanspreken, barst hij in lachen uit.

Het is een sympathieke man en ik kan mij met geen mogelijkheid voorstellen dat hij ooit iets slechts gedaan heeft. Toch was hij al op jonge leeftijd bekend met geweld. Danny (57) werd geboren op Aruba en groeide op zonder zijn Colombiaanse vader. “Mijn vader was er nooit en als hij er wel was, sloeg hij alles kort en klein. Ik beschermde mijn moeder en was daardoor nog meer de sjaak. Door deze thuissituatie had ik concentratieproblemen en op school werd ik daarvoor gestraft. De leerkrachten hadden ook losse handjes.”

Op zijn negende vertrok het gezin naar Nederland. “Op Aruba leerden we alles over klompen en ik wist hoe kaas gemaakt werd, maar toen we in Nederland arriveerden was het alsnog een complete schok. Ook hier paste ik er niet tussen, want ik werd als enige donkere jongen gediscrimineerd. Ik had één manier van praten en dat was met mijn handen.” Danny werd van school gestuurd. “Ik was veertien, zat niet op school en had geen werk.”

Om toch aan geld te komen, begon hij met stelen. “Ik ging ‘poeties hosselen’, oftewel portemonnees stelen in discotheken. Omdat ik er ouder uitzag, kwam ik met mijn vrienden makkelijk overal binnen. Om indruk te maken op meisjes had ik elk weekend nieuwe kleding – ook gestolen natuurlijk. Het was in die tijd stoer om er als Michael Jackson uit te zien: wijde broeken en een grote afro. Ook droeg ik schoenen met hoge plateauzolen. Als de politie dan weer eens achter mij aan zat en ik weg moest rennen, deed ik die schoenen snel uit,” vertelt hij lachend.

soto4Foto’s door Rebecca Camphens

Twee jaar later werd Danny voor het eerst vader. “Ik was een kind dat een kind kreeg,” zegt hij. Er moest nog meer geld binnenkomen voor de baby, dus de diefstallen verergerden. “Ik deed ‘s nachts grote inbraken bij winkels of musea – soms kwam ik er thuis achter dat de schilderijen veel te bekend en daarom onverkoopbaar waren,” grijnst hij.

“Ik was aardig destructief bezig. Ik had een strippenkaart bij de politie en zat elke maand wel voor iets vast. Ik raakte het beu. Tot mijn oom John Reeberg [red: voormalig karatekampioen] tegen mijn moeder zei: ‘Die jongen moet aan karate doen; daar wordt hij rustig van en krijgt hij discipline van.’ En dat klopte.”

Danny’s leven veranderde snel, van op straat hangen naar zeven dagen per week trainen. “Ik was elke dag in de karateschool van Otti Roethof in Amsterdam te vinden. En ik bleek talent te hebben, want ik werd al gauw Nederlands kampioen.” Danny sleepte de titel meerdere keren binnen. “Met het Nederlands karateteam reisden we de wereld rond en werden we ook nog eens wereldkampioen.”

“In die tijd had karate een bepaald stigma: als je aan karate deed, liet je je met slechte dingen in, want waarom zou je je anders moeten verdedigen? Onzin natuurlijk, maar het feit was dat de meesten als portier, beveiliger of crimineel werkzaam waren.” Danny ging ook als portier bij verschillende nachtclubs aan de slag, waar hij zich weer inliet met verkeerde figuren. “Ik was gek op meisjes, geld en stoer doen. Als een magneet werd ik weer de verkeerde kant op getrokken.”

Op een dag kreeg Danny aan de deur bezoek van een viertal Colombiaanse zakenlieden. “Ze hadden mij al een tijdje op het oog. We gingen aan een tafel zitten en na wat drankjes vroegen ze mij hoeveel ik per week verdiende. Ze vertelden dat ik dat bij hen op één dag kon verdienen. Omdat ik vermoedde dat het om drugs ging, zei ik direct nee. Een van de mannen haalde toen een envelop uit zijn binnenzak en schoof die over de tafel. Ik twijfelde, maar opende hem toch. Er zat 30.000 gulden cash in. Toen was ik verkocht. Ik stemde ermee in het een jaar te doen, zodat ik miljonair kon worden en daarna nooit meer zou hoeven te werken.”

soto5

Danny was verantwoordelijk voor de bemiddeling en het transport in Nederland – hij sprak immers als enige Spaans én Nederlands. “De drugs kwamen vanuit Colombia in de haven van Rotterdam aan. Het zat verstopt in kleine vaatjes in grotere vaten met bevroren vruchtensap. De vaten gingen langs corrupte agenten van de douane, waarna een nietsvermoedende chauffeur ze ophaalde om ze naar een gehuurde opslagplaats te brengen. Eén keer ging het bijna fout. De vaten kwamen aan en de deksels waren er afgevallen. Het vruchtensap was helemaal gesmolten en ik zag de kleine vaatjes in de grote vaten bengelen. Mijn hart klopte in mijn keel. Dat niemand anders dat toen heeft opgemerkt, begrijp ik nog steeds niet.”

Het was een snel leven. “In het begin genoot ik van al het geld. Ik was de eerste in Haarlem met een Mercedes 190 en kocht hem met cash bij de autodealer. Soms ging ik met 40.000 gulden op zak stappen. Dan stond ik aan de bar stoer te doen met alleen maar briefjes van 1000 en een pistool in mijn zak. De vrouwen vonden het allemaal erg interessant, en ik had ze bij bosjes,” lacht hij.

Toch had dit schijnbaar mooie leven een keerzijde, want de sfeer bij het kartel werd onvermijdelijk grimmiger. “Er werd te veel gepraat. De Colombianen hadden me gewaarschuwd dat ik me gedeisd moest houden en geen opvallende aankopen moest doen, maar dat heb ik met die Mercedes toch gedaan. Mijn huis bouwde ik om tot een Fort Knox en ik had overal machinegeweren liggen. Niet om stoer te doen, maar omdat ik continu bang was dat ik neergeknald of verlinkt zou worden,” vertelt hij.

Danny leefde continu in angst. “Het geld had geen waarde meer, de vrouwen konden me gestolen worden – ik wilde gewoon rust. Het jaar liep ten einde en ik gaf aan te willen stoppen. Ik nam mijn pieper niet meer op, maar dan belden ze mijn moeder om te vragen waar ik was. Ik had natuurlijk kunnen weten dat het kartel nooit van plan was mij te laten gaan. Ze vertelden dat er nog een grote lading aan zou komen en dat zou ik af moeten handelen.”

Terwijl Danny zich afvroeg hoe hij hier ooit een einde aan zou kunnen maken, kreeg hij bij zijn moeder thuis een onverwachte droom. “Ik droomde dat ik in een bodemloze put viel en maar bleef vallen. Ik schrok wakker en baadde compleet in het zweet. Ik probeerde grip te krijgen op wat er gebeurde. Op dat moment hoorde ik een stem die zei: ‘Danny, je gaat dood. Je bent nu echt te ver gegaan.’ Het was zo irreëel en ik begreep er niets van. Ik vroeg of het God was die tot mij sprak en vroeg: ‘God, als jij dat bent en als je bestaat, haal die Colombianen uit mijn leven en ik stop met alles wat verkeerd is. Je mag al het geld hebben dat hier in het plafond verstopt zit, maar help me, want ik weet niet meer wat ik moet doen.’”

soto3

Alsof Danny zijn kracht hervonden had, ging hij naar de Colombianen toe. ‘Ik had niets te verliezen. Ik dacht: als ik doodga, ga ik dood, maar dit wil ik niet langer. Natuurlijk lachten ze mij vierkant uit toen ik vertelde dat ik mij ging bekeren, maar ik gaf de sleutels en de papieren van het bedrijf en vertrok. Ze riepen me na dat ik niet vreemd moest opkijken als ik in de gracht zou belanden.”

Tot op de dag van vandaag is Danny nog springlevend. “Dat is voor mij het ultieme bewijs dat God bestaat. Hoe kan ik anders nog leven, terwijl zulke gevaarlijke mensen mij dood wilden?” Om deze boodschap te verkondigen, reisde hij de wereld rond. Zo sprak hij met terdoodveroordeelden. “De grootste criminelen vertelden mij alles – bij mij hoefden ze niet stoer te doen en vonden ze herkenning. Ik gaf hen hoop dat het ook voor hen niet te laat was. Dat ik merkte dat ik voor anderen iets goeds kon betekenen, gaf mij de kracht om uiteindelijk ook predikant te worden.” Binnenkort opent hij een tweede kerk.

Natuurlijk vond niet iedereen zijn radicale omslag geloofwaardig. “Mensen zeiden dat ik de kerk in ben gegaan om mij te verbergen, dat ik zogenaamd christen ben geworden en eigenlijk van al het drugsgeld leefde. Nou als dat zo zou zijn, zou ik wel lekker in een zonnig paradijs wonen hoor,” lacht hij. “En al dat geld was binnen twee jaar al op, ik heb het meeste weggegeven.”

Ik vraag hem of hij niet bang is dat hij andere mensen boos maakt met het geven van dit interview. “Ik ben niet bang, want ik doe niemand kwaad. Ik noem geen namen en daarnaast is alles nu inmiddels verjaard.” De enige boodschap die ik wil verkondigen is dat hoe slecht je ook bent geweest, je nooit te slecht bent voor Jezus.” Of hij weleens dingen mist? “Natuurlijk denk ik nog wel eens terug aan de mooie kanten, zoals die keer dat ik met Miss Colombia in het bubbelbad zat,” lacht hij, “Maar ik ben nog nooit zo gelukkig geweest als dat ik nu ben. Ik ben het levende bewijs dat geld niet gelukkig maakt.”

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: