US

The VICE Channels

Alle foto's door Ryan Oosterling
Friday, 3 November, 2017

De amateur die opeens de Giro reed: het verhaal van Twan Castelijns

Twan Castelijns is geen geboren prof. De Brabander was een allround amateurrenner die op 26-jarige leeftijd ineens enorm goed reed. Hij kroop halverwege 2015 achter zijn laptop en schreef een sollicitatiebrief, die hij liet afleveren bij Team LottoNL-Jumbo. Ze namen hem aan. Nog geen jaar later streed hij met die ploeg op Italiaanse cols die hij een jaar eerder alleen op tv zag voor de roze trui in de Giro d’Italia. Een roze trui die naar Nederland zou gaan, als kopman Steven Kruijswijk zijn fiets niet tegen een berg van sneeuw aan stuurde.

In 2015 werd Castelijns prof. Maar zo snel als de jongensdroom uitkwam, viel die weer in duigen. Op hoop van zegen reed hij de afgelopen maanden kermiskoersen tussen drinkende Belgen en de geur van bier en frituur. Castelijns is nog steeds afgetraind en loopt rond met gladgeschoren kuiten, maar niemand biedt hem een contract voor 2018. Daarom heeft hij besloten te stoppen als profwielrenner. We spraken hem in het Brabantse grensdorpje Bladel. Dit is zijn verhaal.


“Eigenlijk was het amateurwielrennen veel leuker dan het profwielrennen. Tot de zomer van 2015 koerste ik jarenlang bij de amateurs. Eerst bij TWC het Snelle Wiel, later bij de ploeg Baby-Dump. De charme zit hem in het amateurisme om de koers heen. Met ploegmaten, jongens uit de regio, in een veel te krap busje naar de start, klapstoeltjes uit de achterbak halen om je daarop om te kleden, de benen in te smeren en je rugnummer op te spelden. En daarna zonder precies de tactiek te bespreken gewoon erin vliegen met zeven of acht man. Streekgenoten. Vrienden.

Aan een profcarrière dacht ik niet. In de juniorencategorieën reed het halve peloton me uit het wiel. Soms werd ik rondes gedubbeld, dan lagen jongens meer dan een ronde voor op me. Kunnen leven van fietsen was altijd slechts een droom, dat zou het ook blijven. Ik had één doel: minstens één grotere wedstrijd bij de amateurs winnen. Dat leek me het hoogst haalbare, op die manier kon ik later altijd vertellen dat ik een goede wielrenner was geweest. In 2015 lukte dat door de Topcompetitie te winnen. Maar daar ging een loodzware winter aan vooraf.

Alle foto’s door Ryan Oosterling.

Vanwege problemen in de liefde voelde ik me die winter enorm kut. Voldoening haalde ik alleen uit hard trainen. Écht hard. Afzien. Vroor het tien graden of regende het? Zat ik om acht uur ’s ochtends in het zadel. Elke dag opnieuw de wekker, voor dezelfde gure omstandigheden en voor dezelfde wegen in de Kempen. En dat allemaal in ruil voor een onkostenvergoeding van een paar honderd euro. Ik had daarnaast nog een studie, Fysiotherapie en een stage.

Uiteindelijk won ik dat jaar niet één klassieker, maar twee koersen plus het eindklassement in de Topcompetitie voor amateurs. Totaal tegen mijn verwachting in. De jaren daarvoor viel ik als renner niet echt op, maar alles viel in dat seizoen van 2015 opeens op zijn plek. Ik begon zelf te geloven dat een profcarrière erin zat, ook al was ik al 26. Om ze erop te wijzen dat ik ondanks mijn leeftijd heel graag wilde, schreef ik een sollicitatiebrief naar Team LottoNL-Jumbo. Normaal gaat dat via-via, maar ik kende niemand om op die manier contact te leggen.

Die brief was in een uurtje getikt. Gewoon thuis bij mijn ouders, waar ik tot vorig jaar woonde. Ik heb hem daarna geprint en in een envelop gedaan. Die gaf ik mee aan mijn toenmalige teammanager Piet Rooijakkers. Voor de start van een etappe van de Ster ZLM Toer dat jaar wandelde hij naar de bus van Team LottoNL-Jumbo en drukte die envelop in handen van de ploegleider die dienst had. Of het aan de brief heeft gelegen weet ik niet, maar een week later ging mijn telefoon. Ik zat op mijn slaapkamer bij mijn ouders, en Piet belde. Of ik op stage wilde bij LottoNL-Jumbo. Ik schrok, maar hoefde er geen moment over na te denken.

Mijn ouders hadden bezoek over de vloer. Ik moest het goede nieuws meteen aan iemand kwijt. Tegelijkertijd wilde ik niet dat iedereen op de hoogte was voordat de handtekening stond. Met een smoesje lokte ik mijn vader naar boven. Ik zei dat hij even moest helpen om iets van zolder te tillen. Zoiets. Op zolder vertelde ik dat ik op stage mocht. Ook hij was enorm verbaasd. Het zou toch niet, op je 26e nog prof worden? Wel dus. Later belde ik mijn vriendin. Ze was op vakantie in Curaçao. Aan het tijdsverschil kon ze zien dat het in Nederland in het holst van de nacht was. Maar ik was zo verrast, kon het niet meer voor me houden.

Met wat maten zou ik het weekend daarna naar Zeeland gaan. Dat doen meer coureurs halverwege het seizoen. Even de druk van de poten. Dat was tijdens de proloog van de Tour de France in Utrecht. Het was snikheet. Ons plan was om daar eens flink los te gaan, flink te stappen. Maar met dat stagecontract op zak heb ik dat toen snel bijgesteld. Gewoon een rustig weekendje weg dan maar.

Mijn eerste koers voor LottoNL-Jumbo was in Londen. Mike Teunissen reed naar een tweede plek en moest naar het podium. Daardoor misten we onze terugvlucht, want blijkbaar was er geen rekening gehouden met een huldiging. Er heerste een shitsfeer, want we moesten langer blijven. De ploegleiding regelde een hotel en als nieuweling dacht ik: fuck man, een extra dag Londen, wat zeuren jullie eigenlijk? Maar niemand was er blij mee. Iedereen wilde naar hun vrouw en kinderen, je bent al zo vaak in hotels. Ik dacht: oké, dit is dus profwielrennen. En ja, het went. Oman, Canada, Qatar: we reizen soms veertig uur en zien niks behalve hotels en heel veel wegen.

Hét hoogtepunt in mijn korte carrière was de Giro d’Italia 2016. Mijn eerste grote ronde. De start was in Apeldoorn, dat was al kippenvel. Het publiek had alle namen met een Nederlands vlaggetje uit hun hoofd geleerd om massaal te scanderen tijdens de proloog. We fietsten door een intense geluidswal. Je hoort veel en tegelijk niks. Ik stond stijf van de zenuwen. Even daarvoor was onze ploegmaat Victor Campenaerts gevallen in een proloog. Hij reed in een bocht rechtdoor, keihard de hekken in. Dat was het laatste wat ik wilde. De Giro was ook de eerste keer dat ik in de bergen ging koersen. Zelfs trainen had ik pas éénmaal in mijn leven echt bergop gedaan: op Alp d’Huez. Ergens was ik bang om buiten de tijdslimiet binnen te komen.

Alles stond die maand in teken van kopman Steven Kruijswijk. We wisten van tevoren dat hij goed was, hij bleek tijdens de ronde de beste. Hij pakte het de roze trui in een loodzware bergrit naar Corvara met zes Dolomietenklimmen. Samen met ploeggenoten Primož Roglič en Maarten Tjallingii was ik toen al vroeg op de dag mee in de kopgroep. Daardoor konden we tot laat in de etappe nog knechtswerk verrichten voor Steven. Ik zag enorm af. Boven op de voorlaatste klim hoorden we in de oortjes dat de kop van de wedstrijd al gefinisht was, en Steven het roze had. Het was voor mij nog zo’n dertig kilometer met een fikse klim, maar die kilometers waren alleen nog genieten. Ik weet nog dat ik een bekende uit mijn amateurtijd naast de weg zag staan. ‘Jezus, jullie hebben het roze,’ schreeuwde hij.

De dagen daarna merkte ik overal aan dat er iets groots aan zat te komen. Er werden voorbereidingen getroffen om de vrouwen over te vliegen voor een feest in Turijn, waar die Giro eindigde. Er waren wagens volledig roze geplakt. Binnen de ploeg kregen we ook met de dag meer vertrouwen. We zouden de Giro winnen. Nog steeds weet ik: zonder die val had ‘ie hem gewonnen. Nibali had zijn achterstand nooit goedgemaakt.



De valpartij van Steven is natuurlijk een kantelpunt in het hele Giro-verhaal. Het moment van vallen heb ik niet gezien, ik reed achterin de koers. Op een gegeven moment was het stil in de oortjes. De ploegleider kwam langzaam met de auto naast ons rijden. Dat voelde al slecht. De manier waarop hij vervolgens zei wat er was gebeurd, deed ons meteen vermoeden dat het niet zomaar een val was, maar een ernstige. Iedereen denkt op dat moment hetzelfde: het zal toch niet. Je hebt drie weken lang keihard gewerkt voor die roze trui. En dan dit. Dan kun je alleen maar vloeken.

Die avond was het doodstil aan de eettafel. Iedereen wist wat er aan de hand was. Niemand kon iets nieuws zeggen. Alles was kwijt, en het was nog maar de vraag of je kopman de volgende dag nog start. Steven zelf at niet mee, hij was in het ziekenhuis om foto’s te laten maken. Hij kwam later aan in het hotel. We sliepen die nacht ook nog eens in een aftands skioord op een bergtop. Zo eentje met op elke kamer een stapelbed en verder niks. Het was dat ik na drie weken alleen maar pure vermoeidheid voelde, anders had ik die nacht niet geslapen. Er zijn in de ploeg weinig woorden gewisseld met Steven. Wat vraag je dan? Je weet dat reporters alle vragen al hebben gesteld.

Zo heb ik nog een aantal bijzondere ervaringen opgedaan bij Team LottoNL-Jumbo: tweemaal deelname aan Parijs-Roubaix, koersen in Qatar en de Ronde van Vlaanderen. Het dichtste bij profwinst kwam ik in de Ronde van Drenthe. In de sprint klopte Jan-Willem van Schip me. Ik finishte als tweede.

Nu vindt de ploeg helaas dat ik niet genoeg progressie heb geboekt. Dat hoorde ik in de nazomer, tijdens een hoogtestage in Oostenrijk. Geen lekker moment. Je zit daar met jongens die hard aan het werk zijn voor zichzelf, en voor jou stopt het ineens. Ik heb me de rest van die week teruggetrokken uit de groep en urenlang gebeld met thuis. Op de fiets was ik ook niet gezellig, luisterde alleen wat muziek. Dat was eenzaam. Maar niemand daar zat in hetzelfde schuitje.

Ik was nou eenmaal geen Peter Sagan. Mijn laatste dagen als prof sleet ik grotendeels met het rijden van kermiskoersen in Vlaanderen. Rondjes om de kerk van zo’n twaalf kilometer, met op de start- en finishlijn een tent met een hoop drinkende Belgen en de geur van frituur en bier. Dat werk. Ik ging daar op eigen houtje naartoe. Dat voelde weer hetzelfde als iets meer dan twee jaar geleden. Wielen uit de fiets draaien, fiets in de achterbak en gaan. Ik moest weer zelf mijn bidons vullen, omkleden in de auto of in een café. Het was wel weer een terugkeer naar de charme van het wielrennen. En eigenlijk ligt deze manier van koersen me ook veel meer. Qua gedrag en stijl in de koers ben ik nog steeds een amateur. Toch hoop ik dat er nog een profploegje is dat me oppikt.”

Dit is een monoloog uit de serie VICE Sports Avonturiers. Zie hier alle verhalen uit deze serie.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: