US

The VICE Channels

Foto door Chad Cooper/CC BY 2.0
Friday, 9 September, 2016

Mijn ervaringen als meisje in een jongenskleedkamer

Iemand vroeg me laatst of ik op de middelbare school ook op toneel zat. Ik moest lachen. “Jazeker, ik speelde 24 uur per dag toneel,” antwoordde ik.

Ik sportte veel: voetbal, basketbal en atletiek. Ik kom uit een sportieve familie, dus dat werd ook van me verwacht. Maar toneel speelde ik niet voor mijn lol. Als transgenders leer je tijdens je jeugd al hoe je je moet aanpassen, welke rol je aan moet nemen.

In Amerika spannen staten en schoolgemeenschappen rechtszaken aan om jonge transgenders te dwingen de kleedkamer te gebruiken van het lichaamsgeslacht waarmee ze geboren zijn. Ik overleefde mijn middelbare schooltijd als transgender in de kast maar net. Je bezorgt jonge transgenders een leven vol verwrongen genderperceptie en pijn als je ze dwingt steeds de verkeerde kleedkamer in te gaan.

Ik heb in mijn tienerjaren geworsteld met genderdysforie. Het is een gevoel dat veel transgenders hebben. Genderdysforie is de klinische term voor het gevoel dat je in een lichaam zit met een geslacht dat niet klopt met je innerlijke geslacht. Ondanks die worsteling had ik er geen moeite mee om op het veld te presteren. Het werkte voor mij juist bevrijdend om het veld op te gaan om te sporten. Daar draaide alles alleen maar om winnen. Daar was mijn enige label “atleet”. Ik zag alleen de bal, mijn tegenstander en mezelf – geen dysforie, zelfmoordgedachtes of weggestopt verlangen naar een ander geslacht. Ik was gewoon mezelf, niet een jongen die stiekem een meisje was.

Maar als het laatste fluitsignaal klonk of de race erop zat, ging ik door een hel. Ik moest weer als transgendervrouw een jongenskleedkamer in.

Bij teamsporten komt veel meer kijken dan alleen goed spelen. Er zit een complexe sociale structuur omheen. Bij jongens is die structuur vooral opgebouwd uit lagen van mannelijkheid. Er wordt constant een spelletje gespeeld om te bewijzen welke jongen de alfa van de groep is. De winnaars winnen het respect van hun teamgenoten. De coaches zoeken bovendien leiderschapskwaliteiten in een team dus ze belonen haantjesgedrag, bijvoorbeeld met een aanvoerdersband.

meisje2
Foto door Daniel Oines/CC BY 2.0/

En dan die spieren. Waarom ging alles in de jongenskleedkamer toch steeds om spieren? Op mijn middelbare school in Massachusetts liepen jongens constant rond zonder shirt, een beetje hun spieren te spannen. Ik herinner me dat ik op een dag een  beetje rondhing in de kleedkamer, vlak voor een atletiekwedstrijd. Toen ik opstond om naar buiten te gaan, kwam mijn vriend Jim net de hoek om. Hij was halfnaakt en spande zijn borstspieren aan, waardoor het leek alsof ze op en neer stuiterden. Links, rechts, links, rechts. Het was een showtje voor de rest van de kleedkamer, een signaal van mannelijkheid. Jim was gespierder dan de rest van het team en herinnerde ons daar constant aan. Als ik als cismeisje geboren was, had ik zijn zelfvertrouwen waarschijnlijk aantrekkelijk gevonden. Maar in plaats daarvan was ik te bang om er ook maar naar te kijken. Ik wilde niet dat iemand me homo zou noemen, de ultieme aanslag op iemands mannelijkheid.

Alhoewel homoseksualiteit in de kleedkamer niet geaccepteerd was, hing er constant een homo-erotische spanning in de lucht. Ik heb me vaak afgevraagd of ik de enige was die dat zo ervaarde, of dat er misschien iets mis was met mij dat ik het leven in de kleedkamer zo zag. Maar die spanning zorgde voor heel veel onderling getreiter in de kleedkamer. Dat was voor mij het ongemakkelijkst.

Ik herinner me een moment in de vierde klas, voor een basketbaltraining. Ik was mijn veters aan het strikken. Een van de oudere spelers, kleedde zich uit, op zijn boxer na. “Hey,” riep hij naar een andere speler. “Ik heb een cadeautje voor je!” Hij spreidde zijn benen en duwde zijn kruis naar voren. Brian ging vlak voor Joe, de jongen in zijn boxer, zitten. Hij keek naar mij, gaf me een knipoog en bewoog zijn hoofd vervolgens naar beneden, alsof hij Joe ging pijpen.

Er waren nog een paar andere jongens in de kleedkamer, maar niemand zei wat. Iedereen keek alleen. Vlak voordat zijn hoofd het kruis van Joe zou raken, trok Brian zijn hoofd snel naar achteren. Met een grote grijns op zijn gezicht wees hij naar de andere jongens in de kleedkamer en zei: “Gefopt! Jullie dachten echt dat ik het zou doen he? Jullie dachten het echt?” Als laatste wees hij naar mij. “Jij vond het het leukst of niet, K? Wil je mijn plek hier innemen? Ik durf te wedden dat Joe jou niet zal stoppen.”

Ik voelde dat ik bloosde en mijn hart ging tekeer. Ik wilde naar buiten rennen, maar dat zou verdacht zijn. Ik antwoordde door snel iets te zeggen in de trend van: “Doe toch eens volwassen man”. Ironisch, gezien ik vijftien was en zij allemaal al rond de achttien waren. Maar op de een of andere manier bleef ik rustig en wandelde even later de kleedkamer uit, alsof er niks aan de hand was.

Deze herinnering en het verhaal van Jim zijn voor mij twee duidelijke voorbeelden van de mannelijke kleedkamercultuur die ik gewoon niet begreep. Ik was er totaal niet op voorbereid om met zulke situaties om te gaan. In tegenstelling tot andere jongens wilde ik geen man worden, maar ik was te bang om mijn gevoelens daarover te uiten. Dus ik speelde wanhopig de rol van ‘een jongen’. Ik probeerde te doen alsof ik erbij hoorde, maar ik wist diep van binnen wat ik eigenlijk was. Ik was een meisje, maar ik zat constant in een jongenskleedkamer.

meisje3
Foto door natintosh/CC BY-ND 2.0

Ik leerde al vroeg op de middelbare school hoe er in de kleedkamer over meisjes werd gepraat. Zij werden gezien als bezit, om naar te kijken, te willen hebben, te gebruiken – niet als mensen met gevoelens en emoties.

De trainingen op maandag waren het ergst, omdat de jongens dan met elkaar praatten hun veroveringen van het weekend. Elk detail van de aantrekkelijkste meisjes – hoe haar rokje om haar heupen viel, hoeveel decolleté ze had, hoeveel ze flirtte – werd besproken. Er was een onuitgesproken hiërarchie op basis van wie wat met welke meisjes had gedaan. Wie de mooiste meisjes regelde op een feestje bepaalde wie erbij hoorde, wie de echte mannen waren in de groep.

Tijdens het grootste deel van mijn middelbare schooltijd had ik een vriendinnetje. We deden nooit meer dan wat handwerk, maar in de kleedkamer kon ik dat niet zo zeggen. Er werden seksverhalen verwacht, anders was je minder man dan de rest. Ik kon ze alleen niet vertellen dat ik helemaal geen man wilde zijn.

Vrouwelijkheid werd van een afstandje bewonderd door de jongens, maar van dichtbij werd het vermeden als de pest. Vrouwelijkheid betekende zacht zijn, maar in de sport betekende zacht zijn vooral een plekje op de bank. De trainers letten op agressieve spelers en belonen hen. Er wordt verwacht dat je hard bent, hard speelt en een hard lichaam hebt. Op het veld wordt de alfa beloond met speeltijd, bewondering of de aanvoerdersband. De strijd om die alfastatus doordrenkt alles, als de geur van knoflook.

Ik zou een buitenstaander worden als ik als vrouwelijk werd gezien, dus ik moest een actrice zijn om te overleven. Dat was niet makkelijk doordat ik nooit een jongen of man ben geweest. Soms sloeg ik de plank dus volledig mis.

Voordat ik een langdurige relatie kreeg op de middelbare school, was ik een paar keer uitgeweest met een meisje uit een andere stad. Zij had me een keer gepijpt. Ik wist dat dit iets was waarmee ik respect kon verdienen in de kleedkamer, maar ik walgde van het idee dat ik de reputatie van een meisje in zou ruilen voor mannelijkheidspunten. Ik wist wat er van me verwacht werd, maar ook hoe klote dat hele systeem eigenlijk was. Ik wist diep van binnen ook dat ik, in een ander universum, net zo goed het meisje had kunnen zijn waar zo over gesproken werd.

Het duurde weken voordat ik het pijpverhaal aan iemand vertelde in de kleedkamer. Ik vertelde het alleen veel te gedetailleerd, dus ze geloofden er geen reet van. Ik snapte er in eerste instantie niet waarom. Waarom werd ik niet geprezen? Ik had niet door dat jongens een nonchalante manier hebben waarop ze dit soort dingen vertellen. Ze zeggen dingen als: “zij deed een beetje zus, dus toen deden we wat zo”. Ik vertelde over wat ik voelde en hoe het meisje vertelde wat ze voelde. Dat was natuurlijk niet de bedoeling.

Door dat soort sociale hints leren we veel als jongens en meisjes. De kleedkamer is een belangrijke plek voor die lessen. Het andere geslacht is niet aanwezig dus  jongens leren in de kleedkamer hoe ze mannen moeten worden.

Later, na de middelbare school, zag ik hoe het kleedkamergedrag blijft bestaan als mannen onder elkaar zijn. Als de vrouwen buiten luisterafstand zijn, wordt de blik en houding van mannen anders. Dan komt hetzelfde gepraat over vrouwen weer naar boven. Ik ben daar nooit goed in geworden, ondanks al mijn pogingen om de nuances van mannelijkheid onder de knie te krijgen.

Ik heb er geen spijt van dat ik in mijn jeugd zo veel gesport heb. Daardoor ontwikkelde ik discipline en kon ik naar de universiteit. Bovendien zorgde sport voor afleiding van de vernietigende genderdysforie die ik mijn hele leven voelde. Maar niet alles aan sport is gezond. Voor mij was de kleedkamer giftig. Daar is helaas niet veel aan veranderd toen ik ouder werd. Daarom besloot ik na mijn eerste jaar op de universiteit te stoppen met competitieve teamsport.

Ik voel nog steeds de blijvende impact van wat ik in de kleedkamers heb geleerd, zelfs nu ik niet meer dagelijks de angst heb om ontdekt te worden in de kleedkamer. De ongezonde manier waarop er tegen vrouwelijkheid aan werd gekeken is bij me gebleven. Ik heb nachtmerries gehad waarin ik me afvroeg of mijn vrouwelijkheid ooit geloofwaardig zou zijn voor de mensen om mij heen. Kleine sociale interacties vallen me op, bijvoorbeeld dat vrouwen oneindig veel meer aanraken en aangeraakt worden dan mannen. Daarbij denk ik dan terug aan de kleedkamerregels van Joe en Brian: grapjes maken, maar elkaar nooit aanraken.

Tegenwoordig ga ik uit als mezelf, zoals ik hoor te zijn. Maar als iemand een hand op mijn schouder legt, shockeert dat mij, vooral als het mannen zijn. Waarom hebben ze het gevoel dat ze me nu ineens aan kunnen raken, terwijl het in de kleedkamer altijd zo’n bron van spot en schaamte was?

Volgens mij hebben niet alleen transgenders dit gevoel. De kleedkamercultuur en de drang van mannen om vrouwelijkheid te vermijden zijn overal in te maatschappij te zien. We zien het terug in merken, zoals Jupiler, die zich speciaal op mannelijkheid richten. Of politici bijvoorbeeld, die steeds hardere taal gebruiken. Ik denk dat veel mannen diep van binnen weten dat dit nergens op slaat. Maar oude gewoontes zijn lastig af te schudden. De angst om er niet bij te horen, voert nog steeds de boventoon. In zekere zin verlaten mannen nooit de kleedkamer.

Zie hieronder Transsporters, een documentaire van VICE Sports, over de rol van sport in de levens van drie transmannen:

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: