US

The VICE Channels

Illustratie door Johnny Terror
Friday, 14 October, 2016

Mijn dubbelleven als hooligan is vermoeiend, maar ik vind het de moeite waard

Lebemann schrijft voor VICE Sports Deutschland columns over zijn leven als voetbalhooligan in Duitsland. Dit keer vertelt hij over de combinatie van zijn activiteiten in het weekend en zijn werk doordeweeks, onder een doodsaaie baas. Op zijn werk weet niemand van zijn andere leven als hooligan. Lebemann omschrijft waarom hij voor deze schizofrene levensstijl kiest.

Zoals elk jaar reisde ik met een handvol jongens af naar het oosten van Zwitserland om de Herbstmesse bij te wonen, een jaarlijkse herfstkermis. Het is een groot festival en dat is leuk en aardig, maar we gaan er vooral naartoe om te zuipen en ons territorium af te bakenen.

Het ging al snel los in de biertenten. Iemand had VIP-polsbandjes voor de groep geregeld en het bier en de wijn vloeiden rijkelijk. Er werd ook meteen nonchalant wat coke gesnoven aan tafel. Het duurde niet lang voordat we het accent van de gastvrouwen na gingen doen. We waren in een opperbest humeur en het was al met al een betere middag dan de gemiddelde middag achter een bureau op kantoor.

Ondanks de uitgelaten sfeer hield ons groepje de ogen en oren open, om in de gaten te houden of er vijandige groepen in de buurt waren. We zagen niet veel later hoe er al wat mensen van de lokale supportersgroep zich begonnen te verzamelen in onze buurt. Ze keken ons achterdochtig aan. We droegen bijna allemaal de bekende merken die in onze subcultuur gedragen worden: beide groepen droegen veel Stone Island om de ander te provoceren. Verder zag ik veel Barbour-overhemden en trainingsvestjes van Sergio Tacchini. We herkenden wat gezichten van mensen die we eerder bij interlands waren tegengekomen, dus het was duidelijk dat deze jongens niet kwamen om een praatje te maken.

Het gaat zoals het gaat. Als je de uitspelende partij bent, moet je je zwakke plekken niet blootgeven. Er ontstond wat gerommel, er werden wat scheldwoorden uitgewisseld en al snel vloog de eerste bierpul door de lucht. Dat resulteerde natuurlijk in een knokpartij midden tussen de andere bezoekers van het festival. Na een middag vol bier en een paar volgestopte neuzen hadden beide partijen wel zin in een dansje. Ik stortte me op de leider van de tegenpartij en samen vlogen we door een deur heen. Als een net verliefd stel kronkelden we over de vloer van een damestoilet, maar we waren allebei zo dronken dat niemand de overhand kon krijgen. De meisjes in het toilet begonnen te gillen en vroegen ons te vertrekken, wat uiteindelijk ook gebeurde.

Het was tijd om ons uit de voeten te maken: enerzijds omdat de politie eraan kwam, anderzijds omdat we de laatste trein uit dit gat niet wilden missen. We namen de benen, glipten van het festivalterrein af en kropen iets later vermoeid en bezopen in de laatste trein naar huis.

Zo zat ik de volgende dag met een enorme capuchon in de tram, om mijn blauwe oog en ietwat verfromfraaide uiterlijk af te schermen. En daarmee komen we bij het thema van deze column: het dubbelleven.

“Voetbalsupporters zijn geen criminelen!”, valt er vaak te lezen op tribunes of op posters in supportershuizen. De overgrote meerderheid van de supporters is inderdaad niet crimineel, maar de scene waarin ik en andere jongens zich bewegen is anders. In de ogen van de het grote publiek en de wet zijn wij criminelen.

Normale mensen kunnen na een weekend vol alcohol en drugs op maandag op hun werk over hun weekend vertellen en er zelfs misschien een beetje over opscheppen. Als ik dat zou doen, zou ik mijn baan waarschijnlijk meteen kwijt zijn. Doordeweeks ben ik gewoon een normaal persoon. Ik ga gewoon naar een kantoor. Het enige verschil is dat ik waarschijnlijk wat meer let op mijn uiterlijk dan jouw collega, die je net waarschijnlijk vies aankeek omdat je liever dit artikel leest dan dat je je werk doet.

Dit dubbelleven kan heel vermoeiend zijn. Ik heb twee telefoons, een voor mijn werk en een voor mijn voetbalmaatjes. Ik heb een anoniem facebookaccount, zodat niemand van de HR-afdeling – of misgunstige collega’s – ziet wie ik echt ben. Ik lieg daar al jaren over en zeg altijd dat ik geen Facebook heb. Om moeilijke vragen te voorkomen, moest ik een hobby bedenken om mijn schrammen en blauwe ogen te verklaren. Daarom zeg ik altijd dat dat komt van rugby of ijshockey. Van maandag tot en met vrijdag pas ik me aan aan dit gezelschap. Net als de rest van mijn collega’s moet ik het gezeik van onze verschrikkelijke baas aanhoren en me daar naar schikken. Soms kost dat allemaal vreselijk veel moeite. Er zijn dagen waarop ik het allemaal nauwelijks meer onder controle heb en naar het plafond zit te staren. Dan beeld ik me in dat ik ergens in een vervallen stadion uit de jaren tachtig op een statribune sta. Daar ram ik dan mijn tegenstander (in dit geval de chef) in elkaar, of ik scheld hem helemaal de tyfus. Kortom: ik verschil dus helemaal niet zoveel van de gemiddelde kantoormedewerker. Het komt er eigenlijk op neer dat we allemaal smachten naar vrijdagmiddag vijf uur, om onze spullen te kunnen pakken en het kantoor uit te lopen.

Deze verhalen klinken voor een buitenstaander waarschijnlijk verbitterd en agressief. In de ogen van anderen ben ik inderdaad niet goed bij mijn hoofd.

Maar ik heb ook een andere kant. Ik ben over het algemeen niet datgene wat je je inbeeldt bij een voetbalhooligan. Mijn bijnaam is “Lebemann” (“losbol” in het Nederlands, red.), niet “de breker” of “de sloper” of zo. Ik ben bij lange na niet de grootste gast die rondloopt in mijn subcultuur. Dat is ook nooit mijn kracht geweest. Het gaat mij erom slim te reageren en handelen, in alle facetten van het leven. In mijn privéleven heb ik meer aandacht voor kunst en cultuur dan voor saaie Champions League-avonden in de kroeg. Voetbal is, afgezien van de momenten waarop mijn team speelt, niet zo’n groot onderdeel van mijn leven. Zonder een persoonlijke, emotionele band vind ik het ook best saai. Als de UEFA dan ook nog eens alcoholverboden bij wedstrijden uitschrijft, is de lol er snel af. Daarom ga ik liever naar exposities of andere culturele evenementen, het liefst met wat drankjes en dames – maar dat is een ander verhaal. Kortom, ik ben wat je een ‘hooligan met een geweten’ zou kunnen noemen. Maar ik leef wel voor het weekend.

Mijn doordeweekse frustratie op mijn werk – ondanks dat ik er een prima vergoeding voor krijg – zorgt ervoor dat ik in het weekend een uitlaatklep nodig heb. Anderen gaan sporten of laten hun agressie los op hun partner of kinderen. Ik ga naar voetbalwedstrijden. Het klinkt als een cliché, maar voetbal en alles eromheen – inclusief het geweld – zijn voor mij na seks de beste vorm van ontspanning. Meestal komt die drang al tijdens de werkweek los. Dan halen we in een groepschat herinneringen op aan afgelopen weekend en delen we video’s en filmpjes.

Het weekend is een soort speciaal wellnessprogramma, dat op vrijdag begint. Kort na de werkweek komt het eerste bier: de werkweek spoel ik weg met het gouden spul. Daarna gaan we meteen de kroeg in, waar de avond met bier en dom gelul over god en de wereld – of voetbal en vrouwen – doorgebracht wordt. Omdat zaterdag meestal een wedstrijddag is, moet je een paar uur later alweer op de been zijn. Ik neem vrijdag meestal de laatste trein naar huis. Een paar Valium en ik slaap ondanks de coke meestal als een baby.

De volgende ochtend is meestal even klote, want ik word er ook niet jonger op. Maar een Engels ontbijt en een kopje thee doen wonderen. Daarna kies ik mijn outfit uit en pleeg ik een paar telefoontjes en krijg ik van mijn vrienden te horen wat ik die vorige avond allemaal uitgespookt heb. Dan zetten mijn vrienden en ik onze activiteiten van vrijdagavond voort op de zaterdag.

Als er een goede wedstrijd op het programma staat, is de boel natuurlijk een beetje verhit. Sommige gasten – en daar schaar ik me bewust niet onder – zijn dan wat meer gespannen. Anderen geven zaterdagochtend bijvoorbeeld hun zuurverdiende geld meteen uit aan een nieuw paar schoenen of een jasje.

De speeldag ziet er daarna als volgt uit: door de stad gaan, de tegenstander opzoeken en toeslaan als de gelegenheid zich voordoet. Snel en genadeloos, maar ook eerlijk. Geweld kan je in verschillende categorieën opdelen. Ik wil niemand ernstig verwonden, of zelf ernstig verwond raken. Ik wil er plezier aan beleven en maandag weer op kantoor verschijnen, in plaats van in het ziekenhuis.

Dit is mijn schizofrene leven. Er zijn ook dagen en situaties waarin het uit de hand loopt, wanneer ik problemen krijg met mijn privéleven. Bijvoorbeeld als de politie me belt op mijn werk. Of wanneer ik mijn meisje uit eten wil nemen, maar vergeet dat onze rivaliserende stadsgenoot die avond een wedstrijd heeft, waardoor ik steeds over mijn schouder moet kijken omdat ik die slechtgeklede primaten tegen kan komen. Dan helpt zelfs een netjes geknoopt Ralph Lauren-overhemd niet.

Goed, je begrijpt dat ik als Lebemann binnen de subcultuur van het voetbalgeweld niet zonder moeilijkheden en tegenslagen leef. Dat is een onderdeel van dit leven, het hoort erbij. Maar het heeft ook een positief effect voor de samenleving. In tegenstelling tot de aso’s die elk weekend in clubs op elkaar inrammen, heb ik nog nooit buiten het voetbal met iemand gevochten. Waarschijnlijk doe ik precies daarom niks anders slechts in mijn leven. De hele ervaring is te verslavend om mee te stoppen; dat gevoel vlak voordat je losgaat, waarin je moet kotsen en schijten tegelijk. Als ik dan die eerste klap uitdeel en wordt overspoeld door een gevoel van macht, kracht en geluk – daar leef ik voor.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: