US

The VICE Channels

Proshots
Monday, 28 November, 2016

Luuk de Jong is eindelijk ontsnapt uit de ballenbak van verloren spitsen

Elke maandag schrijft Martijn Neggers een sportcolumn voor VICE Sports over het theater achter het Nederlands voetbal. Rolt er een traan? Sneuvelt er een krat bidons? Laat iemand tijdens het juichen een tattoo voor zijn overleden cavia zien? Neggers staat erbij en kijkt ernaar.

Afgelopen weekend heeft Luuk de Jong voor het eerst in negenhonderd minuten speeltijd weer gescoord. En laat ik er maar eerlijk over zijn: ik ben daar eigenlijk wel blij mee, want als ik ergens ongemakkelijk van word, is het van niet-scorende spitsen. Een spits die de bal er een tijdje niet in krijgt, ziet er meteen een beetje zielig uit. Het wordt het onderwerp van de gesprekken op televisie en achter de koffieautomaten, het wordt dé vraag in alle interviews. Hoe vaak een coach ook kan zeggen dat hij het vertrouwen houdt, en dat een spits gewoon af en toe ook even een paar wedstrijden droog staat, de schutter in kwestie gaat zich vaak op het veld steeds opmerkelijker gedragen. Hoe vaak de aanvaller ook voor de camera zegt dat het hem niet raakt, tijdens de wedstrijd zie je altijd het omgekeerde.

Neem nou bijvoorbeeld Vincent Janssen. Schoot hij er bij AZ nog de ene na de andere er vanuit alle hoeken en standen in, bij Tottenham Hotspur is dat toch even een ander verhaal. Bij Vincent Janssen zie je dat zijn droogte aan hem knaagt. Hij worstelt, ploetert, sleurt en werkt en probeert uit elke onmogelijke hoek waarin hij staat op goal te schieten. Ook bij het Nederlands elftal probeert hij, noest ploegend, zijn hoofd tegen elke onmogelijke bal te zetten. Maar je ziet het in zijn blik. Hij kijkt in de camera’s met een blik die meer weg heeft van een kind in de ballenbak van IKEA, dat het idee begint te krijgen dat zijn ouders nooit meer terug komen om hem op te halen, dan van een voormalig topschutter van de Eredivisie. Verweesd, kijkt hij. Een verweesd en eenzaam jongetje, in een hele, hele grote meubelwinkel. Alsof er nooit meer een einde komt aan de ellende. Alsof hij voor altijd, daar, tussen al dat winkelend publiek, zijn leven moet slijten. Alsof hij nooit meer terug naar huis mag, naar zijn vriendjes, naar zijn slaapkamer, naar zijn knuffels en zijn lego. Alsof deze onzekerheid nooit stopt.

Ook Michiel Kramer scoort dit jaar amper, hoewel dat natuurlijk voornamelijk is omdat hij bijna altijd op de bank zit. Maar ook voor hem geldt het: als een spits niet scoort, gaat-ie raar doen. Toen Michiel Kramer er vorig jaar na een paar doelpuntloze wedstrijden een bal in schoot, wist hij het ook niet meer. Zijn juichen heb ik indertijd met pure verbazing en vertedering aangekeken: van gekkigheid zette hij het maar gewoon op een totaal verkrampt half knieheffend rennen. Het enige wat zijn gezicht nog kon, was met zijn wenkbrauwen omhoog en zijn mondhoeken omlaag ‘Uhhhh’ roepen. Ik vind dat mooi. Het kind dat na een uur in paniek, eindelijk het gezicht van zijn moeder om de hoek van de ingang van de ballenbak ziet verschijnen, en er spontaan huilend van in zijn broek poept. Zoveel paniek, ten opzichte van zoveel ontlading: daar kan ik alleen maar van houden. Dan wil ik je omarmen, je over je hoofd aaien en je vaderlijk toefluisteren: ‘Zie je wel, jongen, de wereld is niet kwaad.’

Dat diezelfde Michiel Kramer afgelopen zondag in de negende minuut van de blessuretijd met zijn vingertje voor zijn mond stond te juichen omdat hij op het laatste moment toch nog met zijn hoofd tegen een bal aan gerend was, is ook helemaal niet zo vervelend als het overkomt. Dit is zíjn gebaar naar alle andere kindjes in de ballenbak, die naar hem riepen dat zijn ouders hem vast nooit meer op kwamen halen, terwijl hij huilend met een grote gele Ikea-bal in zijn mond en een snottebel uit zijn neus in een hoekje zat. Dit is zijn gebaar, terwijl hij aan de hand van zijn vader én van zijn moeder de winkel uitloopt. ‘Zie je wel, fuckers, ik zei toch dat ze zouden komen. En nu ga ik lekker bij de uitgang een hotdog met ze eten. Ik zei toch dat ze me niet vergeten waren.’

Sympathiek is anders, maar begrijpelijk is het wel.

En toch is het bij Luuk de Jong een beetje anders. Op de een of andere manier draagt hij zijn lot anders dan andere spitsen. Stoïcijnser. Ik kan er niet precies de vinger op leggen, maar misschien is het wel het best te zien als je hem naast Kramer en Janssen zet. Luuk de Jong leek niet echt van in paniek te raken in de afgelopen vijftien uur. Hij poepte ook van vreugde niet zijn luier vol, toen hij eindelijk opgehaald werd uit de ballenbak van de spitsendroogte. Hij stak zijn middelvinger niet op naar de andere jongetjes. Natuurlijk was hij wel opgelucht. Natuurlijk juichte hij en moest hij een keertje heel diep ademhalen. Maar eigenlijk was het alsof hij ergens in zijn hoofd een hoekje had gereserveerd voor de gedachte: uiteindelijk komen ze toch wel weer terug. Ook al denk ik soms van niet, uiteindelijk komen ze toch wel weer – lachend, zwaaiend, met een nieuwe boekenkast en een zak waxinelichtjes in hun armen. Uiteindelijk komen ze altijd weer terug.

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: