US

The VICE Channels

Foto: screenshot YouTube
Tuesday, 27 September, 2016

Harvey Esajas schopte het van circusmedewerker van 130 kilo tot speler bij AC Milan

Het is een snikhete zomeravond in Amsterdam-Zuid als Harvey Esajas in de zon op het terras van ASV Arsenal zit. Vanaf het hoge terras naast de kantine overziet de voormalig speler van onder meer Ajax, Feyenoord en AC Milan het hele complex van de voetbalclub, alsof het een klein, gezellig koninkrijk is. En de koning ontgaat niets. Soms stopt hij midden in een zin om ergens orde op zaken te stellen. “Wacht even, wat doet hij daar nou?! Waarom staat híj daar op het veld? Dat klopt niet, wacht, laat me dit even regelen.” Hoewel hij pas deze zomer is begonnen als trainer bij de Amsterdamse club kent hij alle namen en gezichten en weet hij precies wat er overal gaande is. “Oké sorry, waar hadden we het ook alweer over?”

Tja, waar hadden we het over? Het is moeilijk te zeggen. Als Esajas praat, is hij onnavolgbaar, als Cruijff in zijn beste jaren. Religie, smartphones, het leven in Spanje, Geert Wilders, de media, en natuurlijk zijn voetballoze periode en de daaropvolgende aankomst bij AC Milan; het komt allemaal voorbij. In dit geval hadden we het even over zijn jeugdjaren bij Ajax. Esajas werd op jeugdige leeftijd bij SC Buitenveldert weggeplukt en mocht gaan spelen bij de club uit zijn geboortestad. In tegenstelling tot veel andere jongens was zijn doel niet meteen om profvoetballer te worden.

‘’Ik heb nooit de droom gehad om de beste te worden. Nadat mijn oom, Steve van Dorpel, overleed in de SLM-ramp [de vliegtuigramp in Suriname waarbij 167 mensen overleden, onder wie leden van het Kleurrijk Elftal] kreeg ik eigenlijk pas het idee dat ik profvoetballer wilde worden. M’n oom was de eerste prof in de familie, daar keek iedereen naar op. Toen hij overleed, voelde ik eigenlijk een soort verplichting om die droom van hem ook te bereiken,” zegt Esajas.

Uiteindelijk werd Esajas van de Amsterdamse jeugdopleiding gestuurd, die werd aangevoerd door Louis van Gaal. De reden was zijn gedrag: “Ik was onhandelbaar, vonden de trainers. Ik ben iemand met een eigen mening. Ik ben nooit een ja-knikker geweest, dus dan ben je een makkelijke prooi voor diegenen die dingen willen veranderen of iets naar hun hand willen zetten. Dan pakken ze jou als eerste,” legt hij uit.

Na een uitstapje naar Anderlecht wilde Harvey snel weer terug naar Nederland. Hij kreeg die kans ook, maar niet bij zijn oude club. Integendeel, hij ging naar de aartsrivaal: Feyenoord. De verdediger benadrukt echter dat hij die keuze niet maakte uit rancune. “Ik heb nooit revanche willen nemen. Nooit, nooit, nooit. Mijn wraak heb ik uiteindelijk wel gekregen, hier. Dat voelde wel een beetje als gerechtigheid.”

Esajas wijst naar achteren, naar het Olympisch Stadion in Amsterdam dat op een steenworp afstand van het complex van ASV Arsenal ligt. Het is tegenwoordig haast niet meer voor te stellen maar vroeger, toen de Amsterdam ArenA nog slechts een futuristisch idee was, werden de topwedstrijden van Nederland nog gespeeld in het stadion dat al sinds de jaren twintig bestaat. Zo ook de topwedstrijd Ajax-Feyenoord in 1993. Voor Esajas was het zijn debuut voor zijn nieuwe club tegen zijn voormalige ploeg.

Het scenario had geschreven kunnen worden in Hollywood. Feyenoord speelde uit tegen het indrukwekkende Ajax, met onder meer Edwin van der Sar, Danny Blind, Jari Litmanen, de broertjes De Boer en Clarence Seedorf – de man die er later voor zorgde dat Esajas bij AC Milan binnenkwam. Binnen een paar minuten scoorde Arnold Scholten al de 0-1 en in de 18e minuut maakte Harvey bij zijn debuut de 0-2. Esajas had er meteen een grote groep Rotterdamse fans bij, die voor het gemak zijn Ajax-verleden maar even vergaten.

“Als ik nu door Rotterdam loop kijken ze me een beetje argwanend aan vanwege mijn Amsterdamse accent. Maar als ik mijn naam noem, komt het allemaal weer terug. ‘Jij hebt toch gescoord tegen die joden?!’, roepen ze dan. Dan verbeter ik ze wel altijd even, als ze Ajax een jodenclub noemen. ‘Wat is Feyenoord dan?’, vraag ik ze dan. Maar dat weten ze niet.”

Ondanks de mooie start werd het verblijf bij Feyenoord geen succes. Ook bij andere clubs in Nederland kon Esajas het niet waarmaken, dus vertrok hij naar Spanje. Het was tijd voor een nieuwe start en wat afstand van zijn jeugdvrienden, die vaak het verkeerde pad op gingen.

“Ik ging naar Spanje omdat ik mijn leven wilde veranderen. Ik had niet langer het idee dat het hier in Nederland allemaal goed zou verlopen. Na mijn vertrek zijn mijn vrienden nog een stapje verder gegaan. Zo ver dat er inmiddels veertien onder de grond liggen, allemaal vermoord. Dus wat dat betreft was de keuze om te vertrekken wel goed.”

Maar ook het Spaanse avontuur was niet wat hij ervan had verwacht. Hij had veel blessures. Esajas besloot om naar Italië te gaan en zette daarmee een compleet onvoorspelbare voetbalcarrière voort.

“Ik heb stage gelopen bij Fiorentina, maar tien dagen nadat ik aankwam werd de trainer, Roberto Mancini, ontslagen. Kon ik dus ook gelijk m’n koffers pakken. Meteen daarna kreeg ik wel een nieuwe kans in Italië, want ik mocht meetrainen met Torino. Toen ik daar net aankwam ging de club echter failliet. Toen ben ik maar gewoon gaan werken, in een discotheek en bij het circus. Weet je, het leven gaat ook gewoon verder. Je moet toch door.”

Esajas ging stappen en van het leven genieten. Hij werkte in een rondreizend circus, waar hij hielp met het op- en afbouwen van tenten en achter de bar stond. Twee jaar later woog hij 130 kilo en had hij al tijden geen bal meer aangeraakt. De fitte, gevreesde verdediger van weleer had inmiddels een buik van Jan Boskamp-achtige proporties. Voetbal was een oude liefde die hij nog weleens tegenkwam, zonder dat hij er iets mee deed. In januari 2004 stond hij op het punt om een cursus als reisgids te gaan volgen totdat er een telefoontje kwam dat zijn leven zou veranderen. Jeugdvriend Clarence Seedorf hing aan de lijn, met de vraag of Esajas zin had om te komen kijken bij dé derby van Italië, AC Milan-Internazionale. Natuurlijk wilde hij dat. Toen hij aankwam op het trainingscomplex van AC Milan, werd Esajas weer smoorverliefd op voetbal.

“Eigenlijk begon het gewoon als een geintje. Clarence zei tegen Carlo Ancelotti, destijds de trainer van AC Milan: ‘Je hebt toch een verdediger nodig? Kijk, hier heb ik er eentje, hij is 130 kilo dus hij telt voor twee.’ Ancelotti raakte geïnteresseerd in mijn verhaal en in mij als mens. Nadat Clarence hem mijn verhaal vertelde, zei Ancelotti: ‘Weet je wat, we gaan die Esajas weer gezond maken.’ Ze zijn met me aan de slag gegaan en ik mocht elke zaterdag meedoen met het partijtje van de geblesseerden, de trainers en de fysio’s. Ik stond elke dag om zeven uur ’s ochtends op om te gaan snelwandelen. Daarna mocht ik pas ontbijten: havermoutpap met water en vier eieren, waarvan ik alleen het wit mocht eten. Verschrikkelijk was dat. Maar ja, het feit dat ze me vroegen, was voor mij al zo’n grote eer. Wie zou daar nou niet willen voetballen? Dus heb ik alles gedaan wat ze me vroegen en na vier maanden woog ik nog maar 87 kilo én had ik mijn spiermassa terug. Ik was weer een beest.”

milan1Esajas en Seedorf (screenshot Youtube)

Uiteindelijk deed Esajas het zo goed dat hij een contract kreeg. AC Milan gaf hem een keuze: wil je verhuurd worden of wil je blijven en elke minuut die je mag spelen zien als een beloning voor het harde werken? De verdediger koos voor dat laatste.

‘’Ik bleef natuurlijk. Kijk, één minuut bij AC Milan is voor mij meer waard dan tien jaar bij bijvoorbeeld FC Utrecht, met alle respect voor die club. Geloof me, als je tien jaar bij FC Utrecht hebt gespeeld, zou je best wel willen ruilen met mij,” lacht Harvey.

Zijn beloning kwam in januari 2005. In de bekerwedstrijd tegen Palermo mocht hij welgeteld zes minuten invallen voor Massimo Ambrosini. Zes minuten bij de ploeg die een paar maanden later op dramatische wijze de Champions League-finale zou verliezen van Liverpool. Zes minuten op het veld met onder meer Seedorf, Nesta, Costacurta en Rui Costa. Na afloop kreeg Esajas een staande ovatie en werd hij zelfs gebeld door Silvio Berlusconi. Na al die jaren maakte de Nederlandse tank dan eindelijk zijn entree op topniveau. Dat merkte hij ook aan de aandacht en de reacties die hij kreeg:

“Toen ik naar Milan ging, kreeg ik opeens weer heel veel aandacht. Iedereen wilde kaartjes, iedereen wilde langskomen, iedereen wilde overvliegen. Ik merkte het vooral bij de Nederlandse pers. Vier jaar had niemand naar me omgekeken, maar toen ik onder contract kwam bij Milan werd ik opeens weer een item.”

Die aandacht verdween echter toen Esajas in de zomer van 2005 AC Milan verliet en een jaar later zijn voetbalschoenen aan de wilgen hing. Hoewel hij geen spijt heeft van zijn keuze om voetballer te worden, zou hij het twintig jaar later toch anders gedaan hebben:

“Ik denk niet dat ik voetballer zou zijn geworden als ik twintig jaar later geboren was, echt niet. Dan was ik denk ik een bank begonnen ofzo. De banken runnen de wereld, toch? Ik ben zoals gezegd een nee-knikker. Ik zou in opstand willen komen en dan iets doen, dus dan moet je een eigen bank beginnen of de politiek ingaan,” zegt Esajas.

Maar tijdreizen is niet mogelijk, dus koos Harvey voor een traditioneler beroep onder ex-voetballers: trainer. Hij koos alleen niet voor een profclub, maar begon bij de Amsterdamse amateurclub SC Buitenveldert.

“Ik wilde mezelf testen, kijken of ik de competenties had om trainer te kunnen worden. Veel ex-collega’s lachten me uit en zeiden tegen me: ‘Wat doe je op dat niveau? Die gasten kunnen er geen klote van. Ze trappen de bal blind naar voren en je hoeft ze tactisch niets uit te leggen, want dat snappen ze toch niet.’ Misschien is het heel romantisch van me, maar ik heb juist wel de hoop dat ik mijn spelers wat kan bijbrengen.”

Inmiddels is Esajas trainer van het eerste elftal van ASV Arsenal, coacht hij jongeren met een crimineel verleden en werkt hij af en toe als beveiliger. Ondanks dat het bij die zes minuten bij AC Milan bleef, staat de wereldclub voor de rest van zijn leven op zijn cv.

“Ik zal altijd Milanista blijven. Ik heb nog altijd contact met mensen van de club en ik ga elk jaar nog een paar keer terug naar Milaan. Ik ben en blijf voor altijd speler 811 in de geschiedenis van de club, dat pakt niemand mij meer af. Als de hele wereld vergaat ben ik nog steeds nummer 811. Mijn naam blijft.”

Mis niets! Like VICE Sports Nederland voor je dagelijkse dosis ijzersterke sportverhalen: