US

The VICE Channels

Foto door Ivan Pierre Aguirre
Sunday, 26 June, 2016

De terugkeer van voetbal in de door drugsgeweld beschadigde stad Juarez

Het stadion in Ciudad Juárez ziet er vandaag de dag best goed uit. Het heeft vanbinnen en vanbuiten een likje verf gekregen. De reclameborden in het stadion zijn nieuw. Op het meest prominente bord staat geen reclame, maar een afbeelding van paus Fransiscus, die glimlachend naar beneden kijkt als de spelers het veld betreden. Tacoverkopers doen een uur voor de aftrap goede zaken op de parkeerplaatsen rond het stadion. Een televisiewagen van een van de nationale televisiezenders richt een satelliet de lucht in. Op een nabijgelegen parkeerplaats staat nog altijd het enorme altaar waar paus Fransiscus een paar maanden eerder predikte.

Het voelt bijna ongepast om aan het afgehakte hoofd te denken. Maar ik denk er toch aan. Ik kan me het afgehakte hoofd nog goed herinneren. Het werd hier in het stadion gevonden. Het was het hoofd van een agent, een man die vermoord en in stukken gehakt werd, voordat zijn lichaamsdelen verspreid werden langs de rivier die Juarez scheidt van de Amerikaanse stad El Paso. Het hoofd was met opzet in het stadion gegooid, om voor zoveel mogelijk angst te zorgen. Het gebeurde in 2010, niet zo lang geleden. Misschien was het toch lang geleden, want niemand heeft het hier meer over het afgehakte hoofd of de andere moorden die van Juarez de moordhoofdstad van de wereld maakten, toen ik er woonde. Iedereen vertelt me dat Juarez nu beter is dan toen.

“Het gaat nu zeker beter met Juarez,” zegt Whiskey, de materiaalman van Los Bravos, het voetbalteam waarvoor ik terug ben gekomen naar Juarez. “Het gaat nu veel beter,” zegt Miguel Carbajal, capo van El Kartel, de harde kern van Bravos. De Bravos en hun snelle succes op het veld zijn het beste bewijs dat alles nu beter is in Juarez. Ik geloof ze wel. Ik heb de afgelopen dagen gezien hoeveel beter de stad eruitziet. Het voelt beter, rustiger, veiliger. Op de parkeerplaats naast het stadion hoor ik vanavond het tromgeroffel en getoeter van El Kartel. Ik kan niet wachten om de Bravos te zien spelen. Ik probeer de gedachtes aan het afgehakte hoofd weg te duwen uit mijn brein. Zoals dat iedereen hier ogenschijnlijk gelukt is.

El Kartel, de harde kern van Bravos. Foto door Ivan Pierre Aguirre

Los Bravos de FC Juarez is een van de meest bijzondere teams in de geschiedenis van het Mexicaanse voetbal. Afgelopen seizoen begonnen ze in de Liga de Ascenso, het tweede niveau van het Mexicaanse voetbal. Ze wonnen de titel in hun eerste seizoen. Die prijs duwde Bravos een stuk in de richting van de Liga MX, de eredivisie van Mexico. De overwinning zette Juarez weer op de voetbalkaart van Mexico, iets wat niet zo snel had zien aankomen.

Ik volgde Los Indios, het vorige team van Juarez, toen ik hier in 2009 kwam wonen. Het geweld in de stad was toen bijzonder heftig. Als ik er nu aan terugdenk, past een woord als “geweld” of “heftig” niet eens. Het was erger dan dat. In het jaar dat ik hier kwam wonen, werden er 2700 mensen vermoord op een populatie van 1,3 miljoen. Het jaar daarna waren er 3910 moorden. Dat zijn meer dan tien moorden per dag, een jaar lang.

“Ik heb nooit iemand vermoord zien worden,” zegt Eduardo Uribe Vargas, hoofd van parkverzorging in Juarez. “Maar ik heb lijken zien liggen in de straten toen ik na werk naar huis of richting mijn ranch reed.”

Ik heb ook nooit iemand vermoord zien worden, maar ook ik heb lijken zien liggen in Juarez. Drie in de straten rond mijn appartement. Twee bij een woonwinkel vlakbij het vliegveld. Een voor de supermarkt bij mij in de wijk. Een op de parkeerplaats van mijn wasserette. Dat slachtoffer was de collega van een vriend van mij. Een collega van een andere vriend is daarna vermoord. Tijdens de laatste dag van het ergste jaar, reden een vriend en ik langzaam langs de lijken van drie vrouwen midden in de hoofdstraat Avenida Paseo Triunfo de la Republica. We waren op weg naar een winkelcentrum om koffie te halen. Toen we onze koffie hadden gedronken en weer naar buiten kwamen, waren de lijken weg en reed het verkeer weer in normaal tempo. Alsof er niks was gebeurd.

De spelers en trainer van Los Indios hadden net als iedereen met het geweld te maken. De auto van een middenvelder werd onder bedreiging van een pistool gestolen. Een keeper ontvluchtte de stad met zijn gezin nadat een overvaller een pistool op zijn hoofd had gericht. Iemand schoot een trainer van Los Indios dood in een telefoonwinkel. We weten niet wie de dader was, want criminelen worden in Juarez bijna nooit gepakt of veroordeeld. Toen Los Indios in 2008 promoveerde naar het hoogste niveau, werden ze een soort vitamine, het enige in Juarez dat werkte. Maar terwijl Los Indios probeerde het geweld te omzeilen, vond het alsnog zijn weg naar het veld. De club wist 27 wedstrijden op rij niet te winnen, een dubieus record. In 2010, het jaar met het meeste geweld, degradeerde Los Indios. Een jaar later ging de club failliet.

“Los Indios was destijds de dupe van het feit dat alles in Juarez op dramatische wijze in een hel veranderde,” zegt Alejandra de la Vega, eigenares van Bravos, het nieuwe team. “Het was onmogelijk voor ze. Juarez werd een spookstad. Nu gaat het beter.”

De familie van De la Vega woont al lange tijd in Juarez. Alejandra is een vooraanstaand persoon aan beide kanten van de grens. Haar familie is leidend in de bierdistributie van Juarez, wat veel geld heeft opgeleverd. De la Vega werd nog rijker toen ze trouwde met een Texaanse oliemiljardair. Ze woont met hem in El Paso. Als ze zaken moet doen in Mexico, rijdt ze Juarez binnen in een gepantserde SUV met een chauffeur die een automatisch geweer bij zich draagt. Ze kan overal ter wereld leven, maar kiest ervoor om bij de grens te blijven. “Het is niet altijd zwart-wit”, zegt ze, “maar Juarez is een groot deel van wie ik ben.”

Toen het geweld losbarstte, vergaderde De la Vega met collega’s om te brainstormen over mogelijkheden om het geweld te stoppen. Ze bestudeerden de gang van zaken in het Colombiaanse Medellin en het Italiaanse Palermo. Wat hadden die steden gedaan om het geweld te beëindigen? Sport was een onderdeel van de oplossing, besloot ze. Alhoewel Los Indios spectaculair had gefaald, besloot ze dat haar stad een nieuwe poging moest wagen.

“Voetbal is krachtig, omdat het rolmodellen voortbrengt,” zegt ze. “We hebben enquêtes gehouden in de wijken. Sommige kinderen zeiden dat ze later huurmoordenaar wilden worden. Dat zorgde ervoor dat we nieuwe manieren zochten om ambities te creëren voor de gemeenschap. Als je dat niet doet, groeien kinderen op om degenen te worden die later kinderen vermoorden.”

Het is bijzonder hoe snel De la Vega de club Bravos draaiende kreeg. Binnen zes weken had ze een naam gekozen, een stadion gevonden, een tenue ontworpen en een hele selectie verzameld. De la Vega en haar coaches vroegen talentvolle spelers of zij er problemen mee hadden in Juarez te wonen. Waren ze bereid om scholen en ziekenhuizen te bezoeken, om een tour te doen langs de vele fabrieken in Juarez? Als je De la Vega over de voetballers hoort praten, lijkt het alsof ze spreekt over maatschappelijk werkers. Gezamenlijk krijgen de spelers meer geld dan elk ander team in de competitie, wat mogelijk ten grondslag ligt aan het goede spel. Vanaf het eerste moment deed Bravos mee om de eerste plaats.

“Dit is een mooie kans voor ons om het imago van Juarez te verbeteren,” zegt De la Vega. “Slecht nieuws verspreidt zich snel, goed nieuws wat minder. We willen bekendstaan om goede dingen, in plaats van de slechte dingen die hier gebeurden tijdens een paar slechte jaren. We zijn zoveel meer dan dat.”

Paul Foster en Alejandra de la Vega hebben Bravos opgericht. Hun band met de politieke partij PRI is een doorn in het oog van de supporters. Foto door Ivan Pierre Aguirre

Volgens De la Vega is de naam van het team, Bravos, gekozen met een publieke stemming. “Ik vind dat we heel democratisch te werk zijn gegaan bij het kiezen van de naam. Het is de club van de gemeenschap, niet van mij. De club is van het volk.”

Ze geeft wel toe dat Bravos haar persoonlijke favoriet was. In de publieke stemming eindigde Bravos als vierde keuze, achter drie varianten met Indios erin. Dat was geen verrassing. Vrijwel elk sportteam in de stad, van honkbal tot basketbal, heet Indios. Dat is wat het volk van Juarez wilde, maar De la Vega besloot toch voor Bravos te gaan. “Ik wilde iets vers, iets nieuws,” zegt ze.

Ze besloot ook dat de nieuwe tenues groen zouden zijn, met een grote rode X over de borst, zoals een bekend kunstwerk dat bij de grens staat. Ik vind de shirts er geweldig uitzien, maar El Kartel en andere supporters zijn fanatiek tegen. Ook dit was weinig verrassend. Los Indios droeg rood, wit en zwart. Het honkbalteam van Los Indios draagt die kleuren nog steeds, net als het basketbalteam. Groen is de kleur van de club Santos uit de stad Torreon, een van de rivalen van Juarez. En groen is de kleur van de PRI, de grootste politieke partij in Mexico.

“Jazeker,” zegt Miguel van El Kartel als ik hem vraag of de associatie met de PRI een probleem is. Miguel en de rest van de harde kern weigeren de groene shirts te dragen. Aan groene vlaggen doen ze niet. Ze willen niet dat Bravos wordt gezien als het team van de PRI, of het team van welke politieke partij dan ook.

Alvaro Navarro, de zwager van De la Vega, is de vice-president van Bravos. Hij is de man die de club bestuurt vanaf de werkvloer. Het tijdelijke kantoor van de club zit gepropt in een ruimte bij een waterflesjesfabriek waarvan hij eigenaar is. Hij is ook politiek actief namens de PRI. Hij is onder meer secretaris van economische zaken geweest in de provincie Chihuahua. Toen ik hem ontmoette bij zijn waterflesjesfabriek zag ik in zijn kantoor foto’s waarop hij poseert met Enrique Pena Nieto, PRI-president. Hij stopte het interview kort om te bellen met Enrique Serrano, tot voor kort de burgemeester van Juarez. Serrano wil gouverneur worden en is lid van de PRI.

“Het is belangrijk voor ons dat Serrano de verkiezingen wint,” zei Alvaro tegen me nadat hij had opgehangen. “Hij zou zoveel doen voor Juarez.”

In juli wordt niet alleen een nieuwe gouverneur, maar ook een nieuwe burgemeester van Juarez gekozen. Billboards van kandidaten zijn overal in de stad te zien. Die van Teto Murguia zijn het meest prominent. Hij wil burgemeester worden. Zijn lachende gezicht is overal te zien. Zo was het ook al toen ik hier woonde. Teto was overal, toen ook al vanwege de verkiezingen voor het burgemeesterschap. Dit keer staat er zelfs een nieuw standbeeld van Teto bij het voetbalstadion, ogenschijnlijk om de voetballers uit de stad te eren. Een zilveren Teto tikt tegen de bal met zijn lakschoen. Hij heeft nooit gevoetbald in Juarez, maar wat doet het er toe. Teto hoort bij de PRI. Hij wil zijn derde termijn ingaan. Ik vraag me af in hoeverre Juarez daadwerkelijk is veranderd, als hij er nog altijd is?

Een krant uit Mexico Stad beschuldigde Teto ervan dat hij zijn eerste campagne gefinancierd zou hebben met geld van drugskartels. Drie maanden na zijn eerste termijn werd de politiechef van Juarez, die Teto persoonlijk had uitgekozen, gepakt terwijl hij meer dan een ton aan wiet Texas in probeerde te smokkelen. Teto zei dat hij geen idee had dat zijn vriend en zakenpartner een drugssmokkelaar was.

Teto’s grootste tegenstander tijdens de verkiezingen, Armando Cabada, was jarenlang nieuwslezer bij Chanel 44, een populaire zender in Juarez. Cabara keek, als onderdeel van zijn campagne, een wedstrijd van Bravos met El Kartel. Hij beloofde de harde kern dat, als hij verkozen zou worden, hij ervoor zou zorgen dat het PRI-groen niet langer de clubkleur van Bravos zou zijn. Hij zou dan ook proberen om de naam terug te veranderen naar Los Indios. Onlangs hingen er twee spandoeken van drugsbendes naast over prominente straten van Juarez. “Cabada, jij en je vrouw hebben geld gejat van het kartel. Nu komen we het halen,” stond op de doeken.

Cabada gaf tijdens een persconferentie toe dat zijn vrouw eerst getrouwd was met Joel Farfan, die gelieerd is aan het Juarez Kartel en momenteel een gevangenisstraf van 25 jaar uitzit in Amerika. Volgens Cabada scheidde zijn vrouw al na zes maanden van Farfan, toen ze erachter kwam dat hij aan drugshandel deed. “Ik laat me niet intimideren,” sprak Cabada tijdens de persconferentie. “Ik heb niks te verbergen en ben niks verschuldigd aan de narco’s.”

Er wordt nog steeds gemoord in Juarez. Alhoewel het aantal moorden flink is gedaald, lijken de moorden van nu nog steeds op wat ik zag toen ik in Juarez woonde. Ze worden nog steeds weinig onderzocht door de politie. De dag voor de wedstrijd werden drie mannen neergeschoten vlakbij een basisschool, getuigen zagen de daders wegrijden in een rode pickup-truck. Dezelfde dag werd naast de snelweg het lichaam gevonden van een man die gemarteld was. Eerder die week was net zo’n gemarteld lichaam gevonden langs de snelweg. Deze moorden lijken op acties van kartels, net als voorheen.

Kort nadat ik terug was gekeerd naar Juarez kreeg ik de kans om te praten met de huidige burgemeester, Javier González Mocken. Hij volgde Serrano op toen die besloot een gooi te doen naar het gouverneurschap. Mocken is burgemeester tot aan de komende verkiezingen. Hij is lid van de PRI en praat graag over de Bravos. “Ik ben erg blij voor de club,” zei hij. “Bravos vormt een nieuwe identiteit voor de stad. De identiteit wordt niet langer gevormd door kartels of drugs.”

Leandro Carrijó viert zijn goal voor Bravos. Foto door Ivan Pierre Aguirre

Ik zie de verbeteringen. Het oude centrum, El Centro, recht tegenover El Paso, ondergaat een grondige renovatie. De hoofdstraat met barretjes is opgeknapt. De transformatie is nog niet compleet – de helft van de gebouwen in El Centro is nog vervallen – maar veel van de oude, afbrokkelende muren zijn wit geverfd. Dat lijkt te helpen. Het plein rond de Juarez Cathedral is gezelliger geworden. De veranderingen zien er goed uit.

Maar ik zie ook geesten. Overal. De avond voor de wedstrijd rij ik langs een voetbalveld. Ik herinner me hoe ik daar een lichaam heb zien liggen op de grond, voor een bord met daarop de toenmalige slogan van de stad: “Juarez leeft!” Als ik langs het stadhuis rijd, herinner ik me dat een paar jaar geleden twee mannen op die weg werden doodgeschoten. Mike van El Kartel stelde voor om naar de Yankee Bar te gaan. Ik had daar niet zoveel zin in, omdat ik daar eens een lijk voor de deur had zien liggen. Maar toen we er dit keer heen gingen, zag ik hoe de Yankee Bar was veranderd in een normaal sportcafé. Op televisie zagen we voetbalwedstrijden. We dronken bier. Ik probeerde het naar mijn zin te hebben.

“Het gaat hier beter,” zei een vriendin die avond tegen me. Ze dronk een margarita in de Kentucky Club, die claimt dat drankje uitgevonden te hebben. Ze komt uit Juarez en leefde er tijdens het dieptepunt. Ik zei tegen haar dat het bijna voelde alsof er nooit iets was misgegaan in de stad, dat ik me misschien al die lijken had ingebeeld. Ze begreep wat ik bedoelde. Twee van haar vrienden zijn destijds vermoord, niet zo lang geleden. Iedereen in Juarez kent wel iemand die is vermoord. Iedereen draagt dat met zich mee.

“We leven er allemaal mee,” zegt ze. “Het leeft in ons allemaal.”

De aftrap is om 7:30 uur, als de zon is verdwenen achter de heuvels van Sierra Madre. Ik ga het stadion in en rits mijn jas dicht tegen de kou. De Bravos gaan het veld op in hun groende tenues. Ze zien er goed uit. De tegenstander is Leones Negros, een team uit Guadalajara. Het is een bekerwedstrijd die niet zo belangrijk is als een competitiewedstrijd. Alsnog wordt de wedstrijd landelijk uitgezonden. Juarez komt op een goede manier de huiskamers binnen. Er zijn best wat mensen aanwezig, zeker voor een dinsdagavond. Het helpt dat er geen plekken met slecht zicht zijn in het kleine stadion. Kaartjes kosten daarnaast minder dan vier euro per stuk. Daar hou ik wel van.

Als de wedstrijd is begonnen heb ik een paar minuten nodig om te wennen aan het voetbal. Het tweede niveau van Mexico verschilt van de Spaanse competitie, wat ik gewend ben. De Bravos spelen hun tweede seizoen ook niet zo goed als ze deden in hun eerste seizoen. “Championshipitis,” noemt een vriend van me het. Hij schrijft over voetbal voor El PasoTimes. Juarez gaat de playoffs dit keer niet eens halen, wat betekent dat ze de titel niet voor de tweede keer op rij kunnen winnen. Automatische promotie kunnen ze dus op hun buik schrijven.

Ik koop een biertje. Als ik omhoog kijk naar de enige skybox van het stadion, zie ik Alejandra de la Vega het team aanmoedigen. Ik loop naar de zuidkant van het stadion, waar El Kartel staat. Ik moet een steward overtuigen voordat ik dit deel van de tribune op mag, vanwege het gewelddadige imago van de harde kern. Ik vind dat onterecht, want ik heb me nooit bedreigd gevoeld door deze jongens. Ik zie veel van hen als vrienden. Een van de Kartelero geeft me meteen een tweede biertje en wat pompoenzaadjes om op te kauwen. Ik zing de liederen mee, allemaal in het Spaans.

“Vamos vamos a Juárez. Jouw volk is hier om je te steunen. Uit of thuis, we zullen je nooit teleurstellen.”

“We zullen winnen, Ciudad Juárez. We zullen winnen.”

Door al het gezang vind ik het moeilijk om het spel te volgen, wat ik prima vind. Ik ken de spelers niet en het is niet alsof het hier om het voetbal gaat. “Het belangrijkste is dat we weer een team hebben om aan te moedigen,” zegt Juvie, een Kartelero die in New Mexico leefde, totdat hij gedeporteerd werd. (“Ik kwam daar een beetje in de problemen,” zegt hij met een schaapachtige glimlach.) Na negentig minuten staat het 1-1. Het gelijkspel is genoeg voor Bravos om door te gaan. Een aanvaller van Bravos rent naar de tribune van El Kartel en gooit zijn shirt het publiek in. Zijn blote bast geeft stoom af in de kou. Zijn shirt wordt ontvangen, ook al is het dezelfde kleur als een bepaalde politieke partij.

Ik kijk naar Alejandra de la Vega in haar skybox. Ze zwaait heen en weer, ze ziet er gelukkig uit. Ik ben ook gelukkig, zeker weten. Ik hoop dat de Bravos snel promoveren naar de Liga MX, dat Juarez aandacht krijgt voor iets anders dan moorden. Al die moorden zijn oud nieuws, toch? Misschien is het wel nooit gebeurd.